Maandelijks archief: maart 2012

Druk druk druk

Standaard

Niet alleen gewoon druk, van druk bezet, veel werk, geen tijd.

Ook druk, van stress en dingen die ik moet doen, dingen waar ik niet onderuit kan.

Oké, dit slaagt echt op niets. Maar zoals ik al zei, was het een drukke dag vandaag. En omdat ik toch snel iets wou schrijven, dacht ik: ik zal schrijven over welk gevoel ik nu heb (en dat is druk).

Om het toch héél eventjes over iets anders als druk druk te hebben, wil ik nog zeggen dat mijn tante heeft geantwoord op mijn mail 🙂 Een hele lieve, triestige, aangrijpende, warme mail. De tranen sprongen in mijn ogen en ik kreeg een krop in mijn keel. Heel ontroerend. Maar mooi. Antwoorden ga ik pas later doen, morgen ofzo of overmorgen. Als de tijd rijp is. De tijd rijp, rare uitspraak eigenlijk. Ik zal de tijd een beetje in de zon en water zetten, dan groeit hij sneller, zoals de tomaatjes in onze serre. De geliefde serre van mijn papa waarover Jeroen zich nu bekommerd.

Al bij al was het een goeie dag, slechte momenten, goeie momenten, drukke momenten, grappige momenten, triestige momenten. Ups en downs. Heuvels en dalen. Maar de wind staat in de goeie richting, ik voel het. En anders draai ik de zeilen en stuur ik mijzelf de goeie kant op.

Advertenties

It doesn’t feel like home anymore

Standaard

Help mij,

help mij de angst te overbruggen,

help mij vertrouwen te vinden.

Draag mij,

draag mij over de heuvels,

draag mij over de dalen.

Fluister in mijn oor,

fluister dat alles goed komt,

fluister dat je er nog steeds bent.

Hou mijn hand vast.

 

 

 

… mislukte poging om een gedicht te schrijven. Ik vind de juiste woorden niet. En de juiste combinatie vind ik al helemaal niet. Dus dan deel ik mijn probeerseltje maar.

 

 

My tears are refusing to show up.

Standaard

Wonder o wonder. Weer een redelijk goeie dag vandaag. Waar komen die toch vandaan? Maar ik zal het mij maar niet afvragen of er niet over nadenken. Gewoon verder leven, niet nadenken, niet piekeren. Gewoon lachen en genieten. Of toch proberen te genieten. Want genieten, dat vind ik nog heel moeilijk. Maar ik probeer en dat is al veel vind ik.

Omdat ik mij goed voel dacht ik dat het misschien weer een goed moment is om verder te gaan met ‘mijn verhaal’. Misschien niet, misschien wel. Ik ben er niet helemaal zeker van maar ik doe het gewoon. Niet twijfelen, leven.

7 augustus. De dag waarop het allemaal veranderde. Die dag heb ik al uitgebreid beschreven. Op naar de volgende dagen. 8 augustus was niet zo heel speciaal denk ik. We waren gewoon nog heel bang dat die ‘bibber’ of wat het juist was zou terug komen. De dokter is toen langs geweest. Het eerste bezoek van een lange reeks. Ze wist niet helemaal zeker wat het was maar ze had er een naam op geplakt. Welke het was weet ik al niet meer. Toen kon ik het allemaal goed onthouden en doorvertellen maar ondertussen ben ik al die namen al vergeten. Het was een soort van kortsluiting in zijn hoofd, daar kwam het op neer. Het had weg van epilepsie maar een vele ergere vorm. Het rare was dat zijn arm nog steeds half verlamd was. Maar dat ging misschien nog weggaan. Zijn been was ook nog niet helemaal de oude. Hij kon daar niet echt op steunen. Daarom liep hij enkele dagen met een wandelstok. Vanaf toen is hij pillen beginnen slikken. Pilletjes om die aanvallen te voorkomen en allerlei pilletjes om sterker te worden.Wat er 9 augustus is gebeurd weet ik niet meer, toen zal er niets speciaals gebeurd zijn veronderstel ik.

10 augustus, de verjaardag van mijn oma. Een feestje met de familie. Gaan eten op restaurant. Ik ben toen niet meegegaan want ik stond dus op het speelplein. Papa is daar dus naartoe gegaan met zijn wandelstok. Hij heeft daar mosselen gegeten (één van zijn lievelingsgerechten) en dat lukte nog redelijk goed. Soms had hij wat hulp nodig van mama om iets op te scheppen maar voor de rest was hij toen nog heel zelfstandig.

De dag erna of een paar dagen erna, ik weet het niet meer, toen was er een nieuwe aanval. Nog erger als de vorige. Ik weet er niet veel meer van, niet waar of wanneer, niet hoe het eruit zag, niet wat wij hebben gedaan. Maar er was een aanval. Een aanval waardoor alles erger werd. Zijn arm was nu helemaal lam. Daar was niks of niks meer mee aan te vangen. Nu was de dokter zeker dat het niet meer beter ging worden.

Ik denk dat we één van die dagen beneden een bed hebben geïnstalleerd. Papa geraakte niet meer boven. Dus moest het bed naar beneden. De eerste twee nachten heeft hij alleen beneden geslapen. Maar dat was niet te betrouwen. Wie weet kreeg hij ’s nachts weer een aanval. Wie weet moest hij ’s nachts naar het WC. Dus daarom zat er niets anders op dan een ziekenhuis bed te bestellen. Niet alleen een bed was nodig, ook een rolstoel en krukken. Die krukken dat was in de hoop dat hij misschien nog zelf zou kunnen stappen. Maar die hebben nooit gediend. (enkel ik heb ze gebruikt om eens te testen hoe het is om op krukken te lopen) De rolstoel was papa zijn nieuwe stoel. Daar zat hij heel veel in. De eerste week nog niet constant. Toen konden we hem nog makkelijk verplaatsen naar een andere stoel. Toen kon ik dat zelfs nog in mijn eentje. Maar week na week werd het erger. De volgende weken zijn eigenlijk één grote waas. Ik weet niets precies meer. Ik kan mij enkel herinneren dat papa zieker en zieker werd. Wanneer en hoe hij weer een stap achteruit ging weet ik allemaal niet meer. Maar hij ging achteruit. En snel. Elke dag was er iets anders dat hij niet meer alleen kon. Elke dag werd hij zieker, triestiger, levenlozer, moedelozer, stiller en gewoon minder.

20 augustus. Een dag die ik mij wel nog goed herinner. De verjaardag van papa. De laatste verjaardag. Dat wisten we allemaal. Maar vooral papa besefte dat. Ik weet nog dat ik ’s morgens in mijn bed aan het bedenken was wat ik kon zeggen. Gelukkige verjaardag. Dat past toch niet. Gelukkig, dat is alles behalve wat papa was of wat wij waren. En toch, ik kwam beneden en ik zei: gelukkige verjaardag papa. Met een rare glimlach en er kwam een verdrietige glimlach op papa zijn gezicht. Een paar sms’jes. In sommige stond ook gelukkige verjaardag. Ik zag dat hij er niet mee overweg kon. Een telefoontje van zijn broer. Toen kreeg hij tranen in zijn ogen. Dan ben ik maar weggegaan want ik vond niet dat ik dat gesprek moest horen. Dus ik weet niet wat ze juist hebben gezegd, maar veel zal het niet geweest zijn. Dat was echt een zware dag. Voor ons allemaal. Maar voor papa moet het het zwaarste geweest zijn. Weten dat het je laatste verjaardag ooit is. Weten dat 365 dagen later je gezin zonder jou leeft. Dat ze aan je zullen denken, dat ze aan je verjaardag zullen denken, dat ze je zullen missen. Ik kan mij niet inbeelden hoe dat moet voelen. Het idee dat je dood gaat, dat je familie achterblijft. Dat jij alleen weg gaat. Naar waar? Hoe gaat het voelen? Wat komt erna? Weet je wanneer je sterft? Besef je dat? Zie ik mijn vrouw ooit nog terug? Weet ik dat ik dood ben?

Die vragen doen zoveel pijn. Als ik die bedenk, dan word ik zo triestig. Ik zal nooit of nooit weten hoe papa daarover dacht. Ik zal nooit weten hoe hij zich écht voelde. Hoe hij dacht over doodgaan, hoe hij dacht over wat er na de dood is.. Ik zal het nooit weten en dat doet pijn, dat vergroot die leegte nog meer. Ik vraag mij zo vaak af waarom we daar nooit over hebben gesproken. Het is helemaal niet zoals in de films verlopen. In de films stellen ze zoveel filosofische levensvragen, praten ze uren aan een stuk met de persoon die gaat sterven, zeggen ze lieve woorden, knuffelen ze alsof ze weten dat het de laatste knuffel ooit is. Maar onze realiteit is zo anders. Zo, zo anders. Die laatste maanden waren stom, hard, moeilijk, zwaar, triestig, eindeloos en woordeloos. Nooit hebben we over onze gevoelens gesproken. Nooit. Waarom? Waarom hebben we dat niet gedaan? Soms word ik er boos van maar nu niet. Nu word ik er gewoon triestig van.

Ik weet niet meer hoe slecht het toen al met papa was. Maar ik denk dat het niet veel later écht slecht werd. Ik schrijf hier nu wel ‘écht slecht’. Maar je kan het je niet voorstellen hoe het is tot je het zelf meemaakt met iemand uit je gezin. Zelfs onze familie kon niet snappen hoe het was. Zij kwamen wel op bezoek, ze zagen hoe papa erbij zat, ze zagen dat hij niets meer zelf kon. Maar ze moesten hem niet een hele dag en nacht verzorgen. Dat moesten wij doen. Zij kwamen gewoon op bezoek en namen chocolaatjes mee. Véél chocolaatjes. Die zomer heb ik alle verschillende soorten pralines leren kennen. Er zaten lekkere tussen en hele vieze. De vieze gaven we weg aan het bezoek, de lekkere hielden we voor ’s avonds als het bezoek weg was. Toch nog iets waar we een beetje plezier aan beleefden.

De nachten en de ochtenden waren het ergst. ’s nachts moest papa zo vaak overgeven. We wisselden af wie er bij hem moest slapen. Meestal was het mama, ze wou ons (mij en Jeroen) niet belasten. Maar wij wouden mama ontlasten. Dus mama sliep 3 of 4 keer per week beneden bij papa en de overige dagen ik of Jeroen. Ik schrijf slapen, maar eigenlijk sliep ik niet. Het was bijna letterlijk de wacht houden. Die nachten waren zo vermoeiend, zo eng, zo zwaar. Ik kon niet slapen van de schrik, schrik dat er iets ging gebeuren met papa. En telkens als ik bijna indommelde had papa iets nodig. De nacht-taak was: van 10uur ’s avonds tot 7uur ’s morgens constant papa in het oog houden. Bakjes gaan halen (zo van die niervormige bakjes om in over te geven, zo hadden we er 100-den), bakjes voor papa houden, bakjes weggooien, pilletjes geven, kussen opschudden, laken wegdoen, laken terugleggen, pilletje geven, bed omhoog, bed omlaag, naar het WC gaan (mama halen, in de rolstoel zetten, naar de WC ‘rijden’, op het WC zetten, terug in de rolstoel, terug in zijn bed leggen, mama weer naar boven). De WC avonturen duurden in het begin een kwartier. Maar elke dag werd het erger, elke dag kon papa minder goed meewerken, elke dag moesten we meer gewicht heffen omdat hij nog amper op zijn benen kon staan, elke dag duurde het langer om hem in en uit de rolstoel te heffen. Na twee weken ofzo duurde zo een WC avontuur één uur! Dat was niet meer normaal. Niets was nog normaal. Alles was anders. Heel ons leven werd in de war gestuurd door papa. Alles moesten we aan hem aanpassen. Heel ons huis was omgebouwd. Precies een mini-ziekenhuis. Twee bedden in de living (één ziekenhuis bed en één gewoon bed), een strandstoel (daar zat hij graag in), een zetel die je kon platleggen, een rolstoel, een rollend tafeltje,… En dan nog al onze andere meubels. We konden amper nog in onze kasten, wie in de zetel wou zitten moest over de bedden kruipen. Enkel de rolstoel kon nog net door. Wel maar in één richting, als je terug wou moest je een toertje doen door de gang en terug langs de keuken naar de living. Een doolhof in ons mini-ziekenhuis dus.

Ik zit hier nu te klagen en te zagen over hoe lastig het allemaal voor ons was. Maar dat is omdat ik er niet wil aan denken hoe het voor papa was. Ik wil of kan het mij niet inbeelden. Nooit. Nooit. Nooit.

Tenzij ik dezelfde kanker krijg (en die kans is eigenlijk vrij groot).

Ik denk dat ‘mijn verhaal’ ondertussen al tot eind augustus is verteld. De rest is voor een andere keer. Het word mij weer te veel.

The whole world is moving and I’m standing still.

Standaard

Omdat het maar stom zou zijn als ik alleen schrijf als ik mij slecht voel, wil ik vandaag (nu ik mij eens goed voel) ook iets schrijven! Vandaag was dus weer eens een goeie dag, die mogen er ook zijn hé. Ik ben tevreden over de dag. Ik heb gelachen, ik heb me geamuseerd én ik heb aan mijn papa gedacht zonder al te veel verdriet. Dat is ook heel positief. Maar nu krijg ik weer schrik, want ik denk dat als ik te veel goeds en te veel positiefs ga schrijven, dat het daarna alleen maar slechter kan of gaat worden.

Dus daarom wil ik het er gewoon bij houden dat het een goede dag was. Niet meer niet minder. Gewoon om het jullie te laten weten. (ik weet niet wie ‘jullie’ precies allemaal zijn maar ik schrijf maar jullie want dan klinkt het alsof er veel mensen in mij geïnteresseerd zijn 🙂 )

Omdat ik voor een leuk einde wil zorgen plaats ik hier nog een ‘leuk’ liedje.

De melodie vind ik vrolijk (voor mijn doen toch 😉 ) en de tekst is prachtig net zoals de stemmen.

Love is someone watching die. So who’s gonna watch you die?

Standaard

Where are you going to find that healing?

Ik weet het niet. Ik weet niet hoe ik het ooit allemaal ga kunnen verwerken. Ik kan enkel hopen dat alle dingen die ik doe mij een beetje helpen. Zelfs met een héél héél klein beetje ben ik al tevreden. Of nee, ik moet niet gaan overdrijven. Ik zou niets liever willen dan dat ik in mijn vingers knip (alhoewel ik dat niet kan) en dat al het verdriet weg is. Geen verdriet meer, geen gemis, geen pijn, geen rouw.

Rouw of rauw = homoniem. Een duidelijk voorbeeld van hoe hard de betekenis van homoniemen verschilt. Rauw. Niets ergs aan. Rauw vlees is misschien niet lekker, maar als je het opeet is het weg. Gedaan ermee, geen last meer van. Rouw. Wel erg. Niet fijn. Niet leuk. Rouwen gaat niet zomaar voorbij. Ik wil wel elke dag dat ik niet moet rouwen. Maar niet alles wat je wilt krijg je. Ik krijg mijn papa niet terug. Ik krijg mijn oude leuke leventje niet terug.

Nu zit ik hier weer voor mijn laptop en ik weet niet wat ik nog meer kan schrijven. Soms stromen de woorden er even snel uit als mijn tranen. Maar vandaag gaat het niet zo vlot. Het enige waar ik aan kan denken is aan niets. Niets is niet veel. Dus daarom heb ik niet veel te schrijven.

Maar dan denk ik weer: het kan toch niet dat ik aan niets denk. En dan denk ik: het is gewoon weer dat lege gevoel dat ik nu heb. En inderdaad, als ik mij concentreer en niets doe, dan voel ik het weer zitten in mijn buik. Héél raar. Maar ik voel de leegte zitten. Het klinkt echt niet logisch. Want hoe kan je nu een leegte voelen? En toch is het zo. Ik voel dat er iets ontbreekt.

Terwijl ik dit schrijf vraag ik mij af hoe het dan wel niet moet voelen als je je eigen kind verliest. Dan moet dat een immense leegte zijn. Een krater. Iets dat niets of niemand ooit nog kan herstellen. Een eigen kind van vlees en bloed verliezen. Ik wil niet weten hoe het voelt. Ik vind dit al zo erg. Ik kan mij niet inbeelden hoeveel erger zoiets is. Nee, ik wil het nooit weten. Als ik zoiets ooit meemaak ben ik er zeker van dat ik compleet instort. Maar eigenlijk moet ik mij daar nu niet mee bezig houden. Focussen op mijn eigen rOUw. Rouwen is een vermoeiend en lang proces dat bij iedereen anders verloopt. Zo stond het toch in dat ene boek. Als ik het vorige boek dat ik heb gelezen over rouw vergelijk met het boek dat ik nu heb, denk ik dat dit boek veel beter is voor mij. Dankzij de beste vriendin ooit, heb ik dat ene boek waar ik een tijdje geleden over heb geschreven (wat nooit verloren gaat) hier voor mij liggen. Ze heeft het mij kado gedaan en daar ben ik haar ENORM ENORM ENORM dankbaar voor! Ik hoop echt dat dit boek mij gaat helpen. En ik denk van wel, want het is echt iets voor mij. Ik kan er dus in schrijven en er staan gedichtjes en liedjes enzo in. Echt iets voor mij dus 🙂

Oké, ik ga niet denken aan de leegte, niet denken aan het verdriet of aan de pijn of aan het gemis of aan vroeger. Ik ga de roeispanen van herstel vastnemen en verder roeien. Vandaag en morgen moet ik vooruit geraken. Steeds verder en verder weg van vroeger. Ik wil niet meer denken aan vroeger. Eigenlijk wil ik ook niet denken aan vandaag of morgen. Ik wil tien jaar verder zijn. Alhoewel, wie weet hoe ziek ben ik dan wel niet? Het beste zal wel zijn (zoals overal geschreven staat) van dag tot dag te leven. Maar of ik dat kan, dat is een andere vraag.

I’m the runner

Standaard

Een reis van duizend mijl begint met één enkele stap.

Een boom groeit uit één zaaiing.

Een toren begint met één baksteen.

                    – Wayne Dyer –

Dit gedichtje heb ik op een blog gevonden en ik vind het zo mooi, zo krachtig, zo waar. Het doet mij denken aan ‘been voor been’ (van Bart Moeyaert). Ik moet verder gaan, ik moet over de dood van mijn papa heen geraken. En de enige manier waarop ik dat kan doen is door te beginnen. Door aan mijn nieuwe leven te bouwen, te werken, verder te gaan, door niet bij de pakken te blijven zitten. Stap voor stap, been voor been, steen voor steen, dag per dag, …

Ik wil het zo graag, ik wil niets liever dan verder gaan, gelukkig zijn. Ik zeg niet dat ik papa niet meer wil missen, dat ik niet meer aan hem wil denken. Ik wil gewoon zonder verdriet aan hem kunnen denken. Zonder pijn, zonder spijt, zonder tranen. Gewoon aan hem denken. Met een kleine glimlach op mijn gezicht. Dat ik oprecht en tevreden kan zeggen dat mijn papa de beste papa ooit was en dat ik hem nooit zal vergeten, dat ik altijd aan hem blijf denken.

Ik schrijf dit terwijl ik in zijn zetel zit. De zetel waar hij de laatste twee maanden bijna constant heeft ingezeten. Ik zit in het zonnetje in de veranda, laptop op mijn schoot, muziek op en gedachten uit. Gewoon schrijven wat er in mij opkomt. En dat gaat zoals meestal verrassend goed. Ondertussen heb ik weer een nieuw (lievelings)liedje gevonden!

I follow rivers.

         -Trigger Finger-

(prachtige versie! zeker eens opzoeken!)

I saw you in my dream. Again.

Standaard

Ik twijfel. Ik twijfel aan alles. Ik twijfel over wat ik doe, over wat ik zeg, over wat ik denk, over wat ik wil, over wie ik ben.

Wie ben ik? Ik ben Sarah. Maar zal ik ooit ‘juf Sarah’ zijn? Ik begin eraan te twijfelen. En die twijfel maakt mij triestig. Ik wil al zo lang juf worden, dat is al altijd mijn grote droom geweest. Ik heb nooit (behalve de laatste 2 maanden voor het school echt begon) getwijfeld. Maar toch was ik zeker van mijn keuze. Het was zo voor de hand liggend. Ik wou juf worden, al altijd, dus daarom studeer ik er nu ook voor.

Maar als ik nu iedereen hoor vertellen over hun stage, dan slaagt de twijfel bij mij toe. Iedereen vindt het zo geweldig, zo plezant, ze genieten er allemaal van. Ik weet niet of ik dat ook doe. Soms denk ik van wel, soms denk ik van niet. Het was wel leuk, maar geweldig nu ook weer niet. Vermoeiend en stress, die woorden passen het best bij de afgelopen 2 dagen. Waarom kan ik de woorden super of geweldig er niet bij plaatsen? Ik weet het niet. Het gene dat mij ook zo aan het denken heeft gezet is de commentaar van mijn mentor. Ik ben niet enthousiast genoeg. Ik dacht dat wel leek dat ik het allemaal graag doe. En dat is eigenlijk ook zo. Ik sta daar graag vooraan in de klas, ondanks de stress en zenuwen en angst. Ik vind het leuk als die kindjes antwoorden, als ze zeggen dat het leuk was. Maar het is niet dat ik er super gelukkig van word. Daarom twijfel ik. Ben ik wel echt gemaakt om juf te worden? Moet ik toch niet iets anders kiezen? Want enthousiaster zijn, ik weet niet of ik dat kan. Nu toch niet. Of nu nog niet. Mijn leven is zo overhoop gegooid dat ik het moeilijk vind om enthousiast en vrolijk te zijn. Enkel als ik mij echt op mijn gemak voel en als ik mij echt ‘thuis’ voel, dan kan ik mijzelf zijn. Ik denk dat ik het daarom ook moeilijk vind om voor de klas zo spontaan en enthousiast te zijn. Alhoewel, spontaan ben ik denk ik wel. Of toch soms.

Ik vond het ook zo moeilijk als er een moment was waarop ik iets over ‘ouders’ of over ‘mama en papa’ moest zeggen. Want elke keer als ik dat woord uitspreek of schrijf of denk, dan denk ik meteen: ik heb geen papa meer. En soms dacht ik: ik wil dat tegen die kindjes zeggen. Maar dan denk ik: wat maakt dat uit voor die kinderen? Of hoe gaat mij dat helpen? Niet? Soms voelde ik ook de behoefte om dat tegen de (echte) juf te zeggen. Maar ik kan toch moeilijk zeggen: “hallo, ik moet nog iets zeggen, mijn papa is dood.” Soms dacht ik ook dat ik het misschien tegen een juf van vroeger kon vertellen. Want er is één juf, waarvan ik bijna zeker ben dat ze nog weet dat mijn papa toen ik daar op school zat ziek was. Maar natuurlijk durf ik dat weer niet. Zelfs als ik dat zou aandurven, dan is er niet eens een geschikt moment voor.

Ik twijfel dus. Over mijn toekomst. Ben ik wel de juiste persoon om juf te worden? Misschien zit het gewoon niet in mij. Ik weet het niet. Het heeft mij alleszins gekwetst dat ik niet enthousiast genoeg ben. Daardoor ben ik dus ook beginnen nadenken. Het enige wat ik kan doen is verder nadenken. En wachten tot ik het weet.

I cried for you

Standaard

De stage zit er weer op. Het was wel leuk. Maar ik had zó graag tegen papa willen vertellen hoe het was. Hij zou misschien niet altijd even aandachtig luisteren. Maar hij zou trots zijn, zo trots, zo blij. Hij zou het zo leuk vinden dat ik, na al die jaren dromen over juf worden, eindelijk echt op weg ben om juf te worden. Zijn blik zien als ik aan één stuk door zou vertellen over mijn dag, over de kindjes, zijn hand op mijn rug voelen als hij zegt dat ik het goed zal doen, zijn stem horen, zijn lach zien.

IK MIS HET ALLEMAAL ZO HARD.

Allemaal.

Het lijkt misschien dat ik stappen zet in de goede richting maar mijn gevoel zegt van niet. Mijn gevoel zegt dat het nooit over zal gaan. Dat ik mij altijd slecht zal blijven voelen. Maar mijn verstand zegt dan weer van niet, dat dat niet kan. Dat zegt iedereen. En toch gelooft mijn gevoel dat nog steeds niet.

Slechte dag/avond vandaag. Ik zit weer eens de muziek van tijdens de begrafenis te beluisteren. Met mijn oortjes in. Dan klinkt het allemaal nog veel specialer en echter dan in mijn CD speler. Die muziek snijdt recht door mij heen. Ik weet niet wat ik heb maar ik wil ergens op slagen, kloppen, meppen, gooien, smijten, werpen, aanvallen, roepen, tieren en vooral wenen.

De regen druppelt van mijn wangen

Soms zijn het stortbuien

Soms een vlaag

Soms een beetje miezer

Soms slechts enkele druppels

Maar altijd zit er zoveel pijn in die tranen.

einde.

She dreams of paradise

Standaard

Oké, ik heb nog zin om verder te schrijven. Ik weet niet hoe het komt maar plots wil ik het allemaal opschrijven.

Ik weet niet meer wanneer we juist zijn terug gekomen van die vakantie in Frankrijk. Maar ik denk dat dat eind juli was. Wat we de volgende week of weken hebben gedaan weet ik helemaal niet meer. Hoe ik mij toen voelde weet ik ook helemaal niet meer. Ik weet dat ik twee weken op het speelplein heb gestaan. Blijkbaar van 8 augustus tot 18 augustus. Dus de 7de was het dan al vergadering voor het speelplein. Raar. Ik ben helemaal in de war nu. Ik zal vertellen hoe het komt.

7 augustus is de dag waarop het allemaal begon. 7 augustus, de verjaardag van Jeroen. Ik dacht dat ik die ochtend nog ben gaan rijden. Ik kon toen al enkele dagen rijden en wou eens tonen aan papa wat ik ondertussen al kon. Want hij had mij de eerste les gegeven, maar dat was niet goed verlopen want ik vond dat hij het niet goed uitlegde. Dus had Pieter de uitleg verder gedaan. Daarna heb ik een paar dagen samen met mama gereden en ondertussen kon ik het al een klein klein beetje. Ik deed wel nog steeds in mijn broek van de schrik (niet letterlijk!). Maar ik wou toch tonen aan papa watt ik al kon. We zijn toen kip gaan kopen op de markt. Op de terug weg panikeerde ik en ben ik uitgestapt. Mama heeft toen verder gereden. ’s middags hebben we die kip opgegeten, voor Jeroen zijn verjaardag dus. De frietjes waren blijkbaar op dus heeft papa zelf nog frietjes met de hand geschreven. Wat ik hier nu allemaal schrijf lijkt zo stom, maar eigenlijk is het heel speciaal. ’s avonds heb ik pannenkoeken gebakken voor Jeroen. Terwijl ik die aan het bakken was kwam papa in de keuken en toonde hij aan mij en mama dat zijn hand en zijn arm zo raar deed, die bibberde en schokte. Hij was in paniek, dat zag ik. Die angst in zijn ogen was zo groot. Hij was zich aan het opjagen. Mama zei dat hij moest gaan liggen maar hij wou niet luisteren. Hij bleef rondlopen. Na een paar minuten stopte dat bibberen. De pannenkoeken waren klaar. We gingen aan tafel en we (ik alleen eigenlijk) zongen ‘happy birthday’ voor Jeroen. Een paar minuten later panikeerde papa helemaal. Zijn hoofd begon te schokken. Dat was echt heel vies om te zien. Hij kon nog gemakkelijk spreken en van alles doen, maar dat was echt een vies zicht. En hij had ook veel schrik, dat zag ik duidelijk. Maar het enige wat hij deed was mij gerust stellen. Nu ging hij wel op het zetelbed liggen. Hij zei dat ik niet moest kijken als ik dat vies vond, dat het niet erg was, dat het wel zou stoppen. Dat was ook zo, een paar minuten later was dat schokken weer voorbij. Oef. Alles weer normaal.

Tot dat ene moment. Mama zat in de zetel, op haar vaste plaats, in het hoekje. Papa zat naast haar. Samen zaten ze naar Het Nieuws te kijken, zoals elke avond. Tot er ineens veel paniek was. Dat was echt zo raar. Plots gebeurde er zoveel tegelijk. Ik zat aan de PC en ik stond onmiddellijk recht. Ik zag meteen dat dit niet goed was. Niet goed, heel slecht zelfs. Papa zijn rechter hand stond helemaal gespannen, heel heel vies. Een soort spastische trek leek het wel. Heel zijn lichaam was aan het schokken. Zijn ogen op die moment zal ik nooit of nooit vergeten. Zoveel paniek en angst in zijn ogen. Zo, zo, zo bang. Mama stond daar maar. Ik stond daar ook maar. Na enkele seconden schoot ik pas in actie. Papa was half aan het roepen: “Het doet pijn, pijn, auw, auw. Belt den ambulance. Bel. Pijn..” En zijn hoofd, armen en benen bleven maar schokken en die vieze, vreselijke kramp in zijn hand bleef maar duren. Dat knikkende hoofd, die stuiptrekkingen in zijn been,… Ik zie het zo voor mij. Afschuwelijk eng en vies. Ik probeerde papa te kalmeren. Meer kon ik niet doen. “Rustig papa, rustig. Rustig papa, papa…” Mama probeerde een kussen in zijn hand te steken. “Wat moet ik doen? Wat moet ik doen? Belt de jongens!” zei mama. Ik belde en ze kwamen heel snel de trap af. Blijkbaar voelden ze aan ofzo dat er iets niet pluis was. Ik stond dan met de gsm in mijn hand om de ziekenwagen te bellen want papa bleef maar zeggen dat ik den ambulance moest bellen.. Ik wist de nummer niet eens. Jeroen en Pieter stonden daar. Ze wisten niet wat er gebeurde. Mama zocht de telefoon nummer van de huisdokter. Ze belde maar die nam niet op. Dan zocht ze de nummer van de palliatieve afdeling (die waren al een keertje thuis langs geweest en hadden gezegd dat we altijd mochten bellen als er iets was). Die namen ook al niet op. Niemand nam op. Mama was helemaal in paniek. Ik probeerde papa nog steeds te kalmeren. Ik aaide over zijn gezicht. “Rustig papa, het komt goed. Rustig.” Mama zei dat het waarschijnlijk epilepsie was. Jeroen ging boven op zijn PC snel opzoeken wat we moesten doen bij zo’n aanval. Pieter zocht beneden op de PC op. Ik kalmeerde papa nog steeds. Mama probeerde nog steeds te bellen. Papa lag daar nog steeds te schokken met zoveel angst en pijn in zijn ogen. “Op zijn zij leggen.” zei Pieter. Jeroen kwam ook naar beneden. We probeerden alle drie te samen hem op zijn zij te leggen. Dat was zo moeilijk door al die schokken. Maar het lukte. Jeroen was al heel de tijd aan het wenen.. De schokken leken te minderen. Die vieze kramp in zijn hand begon te verslappen. Ik probeerde zoveel mogelijk kussens achter papa zijn zij te leggen maar hij bleef steeds terug op zijn rug rollen. Dus ging op mijn knieën achter hem zitten om hem te ondersteunen. Eindelijk nam de mevrouw van de palliatieve afdeling op. Mama legde paniekerig de situatie uit. Een pilletje moesten we hem geven, iets om te kalmeren. Alle pillen die die vrouw opnoemde hadden we niet in huis. Toen kwam Pieter met één van zijn pillen af en die hielp ook zei de vrouw. De naam van die pil weet ik al niet meer, terwijl papa die nog zo vaak heeft moeten nemen. Maar dat maakt nu niet uit eigenlijk. Papa begon eindelijk terug ‘normaal’ te worden. De schokken waren helemaal verdwenen. Hij lag terug rustig. Maar hij was nog steeds heel bang. Dat zag ik zooo duidelijk. Nog nooit had ik mijn sterke, dappere papa zo bang gezien. We moesten papa in zijn bed leggen. Pieter moest terug naar de instelling, dus Jeroen bracht hem weg (iets wat hij anders NOOIT zou doen). Mama bleef boven naast papa liggen, tot dat hij gekalmeerd was. Maar hij was nog steeds bang dat die schokken gingen terug komen. Waar hij nog het meeste schrik van had was dat zijn arm lam was geworden. Vanaf het moment dat die schokken en die kramp gedaan was, had hij totaal geen gevoel meer in zijn arm. Hij kon er niets of niets mee doen. Dat vond hij zo erg en eng. Hij bleef maar zeggen: “mijn arm, mijn arm, ik voel niets, da’s lam,…” Maar ik probeerde hem gerust te stellen. Het zou wel goed komen zei ik, het is niet erg. Daarna zocht ik een manier waarop papa kon laten weten dat er iets was, terwijl dat ik en mama beneden zaten. Ik vond een oude speelgoedbel van mij. Die heb ik naast zijn bed gelegd. Daar kon hij op drukken als er iets was, en dan konden wij meteen naar boven gaan.

Maar het was niet nodig, het was een rustige, normale nacht. De volgende ochtend had hij al een klein beetje meer gevoel in zijn arm. Nog helemaal niet veel, maar al iets meer. Dus er was hoop dat het terug goed zou komen.

Wat ik dus helemaal niet meer wist was dat ik de volgende ochtend speelplein had. Blijkbaar is dat onbelangrijk detail uit mijn geheugen gewist.

 

Oké, nu ben ik uitgeput van dit hier allemaal te vertellen. Nu is het echt genoeg voor vandaag.

 

A part of me is gone

Standaard

Rare dag. Eerst vrolijk, dan heel verdrietig, dan weer vrolijk, nu misselijk.

Ik heb geen zin om over de leuke dingen te schrijven (raar maar waar). Ik denk dat het beter is om mijn slechte gevoel van mij af te schrijven, dat lucht misschien op.

Doordat ik gisteren over de laatste twee jaar van mijn papa heb geschreven kwamen al die herinneringen weer heel sterk terug. De slechte herinneringen. De niet leuke, zieke, herinneringen. Zoals ik al schreef was het begin (het eerste jaar en half) nog niet zó erg. Toch niet als ik het vergelijk met de laatste 2, 3 maand. Dus doordat ik daarover heb geschreven voelde ik dat het nodig is om ook die laatste maanden eens te beschrijven. Dus ik zal het proberen. Ik weet niet zeker dat het mij zal lukken omdat ik het echt heel moeilijk vind om daaraan terug te denken. Deze ochtend tijdens de les sprak ik er met een vriendin over en toen begon ik al te wenen. Dus nu zal ik het sowieso ook moeilijk krijgen. Maar ik wil het proberen.

Ik zal proberen om het een beetje chronologisch te houden. Dus daarom begin ik bij het begin (logisch 😉 😉 😉 )

Maar ik kan het toch niet altijd blijven negeren? Binnenkort is het al de begrafenis! Ik kan het mij echt niet voorstellen. In mijn verbeelding zit mijn papa gewoon naast mij om mij te troosten maar dat kan gewoon niet want het is zijn begrafenis! Misschien is het nog vroeg om daar over na te denken maar langs de andere kant is het echt niet zo lang meer hé. Een paar maand. Hoelang is dat eigenlijk? Een paar maand? Er zijn al 20 dagen voorbij sinds die paar maand begonnen. Dat is al bijna een maand. Strikt gezien is een paar maand twee maand. Dus dan heeft hij nog maar 42 dagen ofzo te leven. Dat kan toch niet! Dat is zo kort! Wat kan een mens nu nog doen in 42 dagen? Binnen 42 dagen is het nog vakantie dan moet het school zelfs nog beginnen, ik denk dat dan zelfs mijn 2 weken op het speelplein nog moeten beginnen. Nee, 42 dagen kan echt niet. Ik wil dat hij nog minstens een jaar leeft maar een jaar is veel meer als een paar maanden. Dus eigenlijk zou hij zeker al tegen kerstmis dood moeten zijn, dat kan toch echt niet! Dat kan ik mij echt echt niet voorstellen. Alles wat ik mij bedenk, daar staat mijn papa bij.

Dit heb ik 29 juni geschreven. Toen wist ik al 20 dagen dat mijn papa ging doodgaan. Ik was toen van plan om elke dag of elke week iets te schrijven, maar dat is de enige keer dat ik dat gedaan heb. De volgende keer dat ik iets geschreven heb was de tekst die ik op de begrafenis heb voorgelezen. Nu heb ik daar wel spijt van dat ik niet elke dag, al was het maar heel kort, iets heb geschreven. Want daardoor zou ik het mij nu allemaal veel beter kunnen herinneren. Nu is meer als de helft een vaag, verwarrend beeld.

Begin juli ben ik op monitorcursus geweest. Eerst had ik totaal geen zin meer om daar naartoe te gaan, maar ik ben toch maar gegaan omdat ik dan weg kon zijn van de rare en moeilijke situatie thuis. Dat was makkelijker. Toen ik daar was, op die cursus, heb ik mij soms wel kunnen amuseren maar meer als de helft van de tijd zat ik met mijn papa in mijn hoofd. Ik heb toen veel gedanst (ik weet nog goed dat er veel mensen waren die mij raar vonden :p maar dat kon mij niet schelen) om mijn zinnen te verzetten. Maar dat hielp niet. Niets hielp. Mijn papa ging nog steeds doodgaan, hoeveel ik ook danste.

Terwijl ik die cursus volgde, zijn mijn ouders ook op vakantie gegaan, naar waar weet ik al niet eens meer… Maar ze hebben ervan genoten, dat weet ik wel nog. Ik hoop dat ze toen veel gepraat hebben over wat er allemaal ging komen, over wat ons te wachten stond. Maar dat weet ik niet.

Na die cursus zijn we allemaal (ik, mijn twee broers, mama én papa) op vakantie naar Frankrijk geweest. Onze laatste vakantie. Voor altijd. Dat is echt zo raar, dat idee dat je op vakantie vertrekt en dat je weet dat dat voor de laatste keer met papa erbij is. Het was een mooie vakantie, misschien te mooi en te gezellig. Want we deden allemaal alsof er niets aan de hand was. Alsof we niet wisten dat papa ging sterven. Alsof we één gelukkige, toffe familie waren die genoten van hun vakantie. Tot op één avond. De avond die ik nooit zal vergeten. We zaten op restaurant en we waren aan het bespreken wat we de volgende dag gingen doen. Mijn broer, Pieter, had in niets zin, hij zei dat het allemaal stomme dingen waren. Hij zei dat we deden alsof er niets is terwijl we allemaal wisten wat er was. Hij was kwaad. We zijn vertrokken uit het restaurant, we reden naar ons huisje. In de auto was Jeroen aan het wenen, dat zag ik. Maar iets zeggen deed ik natuurlijk weer niet. Toen we terug in het huisje waren vroeg mama wat Pieter dan wou. Praten zei hij. Praten hebben we gedaan. Ik kan mij nog perfect voorstellen hoe we daar zaten. Ik zat in de hoek van de zetel, Pieter naast mij, mama in de zetel ernaast, papa daarnaast en Jeroen op een stoel voor mij. We hebben gepraat en vooral veel geweend. Iedereen, behalve papa. Hoe dat kan snap ik nog altijd niet. Ik heb daar zo hard en zo luid zitten wenen terwijl mijn papa geen traantje heeft weggepinkt. Hij heeft mij niet eens getroost. Hij zat daar en wou alles weten. Hij wou weten wat er van ons terecht ging komen. Wat we wouden in ons leven, hoe we de toekomst zagen. Bij mij was dat duidelijk, zei hij meteen. Huisje, tuintje, boompje, kindje. Inderdaad. Niet moeilijk dus bij mij. Bij Jeroen was het onduidelijk maar toch wist papa dat het ook met Jeroen allemaal goed ging komen. Ondanks dat ze de jaren ervoor nooit overeen kwamen, altijd ruzie, zelden of nooit gewoon praten. Jeroen is net zoals papa. Een avonturier die niet weet wat hij wil en die toch vastberaden is en opkomt voor zijn ideeën. Dat kon papa toen precies wel aanvaarden, dat hij niet exact wist wat Jeroen wou, maar hij wist dat hij wel op zijn pootjes terecht zou komen. Nu komen we bij het ‘probleem kind’. Pieter. Studeert niet, is half gek, doet niks, wilt niks, … Geen toekomst, dat dacht papa alleszins. Weer ruzie. Hij moest écht weten wat Pieter wou aanvangen met zijn leven. Na uren praten wisten we nog niets meer. Als Pieter het niet eens wist, hoe konden wij het dan weten? Niet.

Toen vroeg mama of we nog vragen hadden. Pieter vroeg wat het ging worden. Cremeren of begraven. Papa wou crematie. Crematie is het geworden. Papa wou een mis in de kerk. Mama niet. Een mis in de kerk is het geworden. Mama vroeg hoe het op het einde moest. Ik weet nog letterlijk wat ze zei: “Wat als het op het einde echt nimeer gaat, als ge niks meer kunt? Dat heb ik u nog ni eens gevraagd.” Papa wou niet echt antwoorden, dat merkte ik. Hij zei: “Dat kiest ge dan zelf maar, ik zal het toch niet meer weten. Dat maakt mij niet uit.” Mama vroeg nog of hij geen papier wou tekenen waarop stond dat wij mochten beslissen dat hij een soort medicijn, of weet ik veel wat, kreeg als hij écht niets meer zou kunnen, als hij dus op sterven lag. Maar dat wou hij niet. Dus dat document is er ook nooit gekomen.

Na véél wenen, één grote dikke knuffel van Jeroen, veel zwijgen van mijn kant (ik heb toen amper 5 zinnen gezegd, heel die avond lang) vroeg ik of ik mocht gaan slapen. Slapen heb ik gedaan, na eerst nog lang wenen in mijn bed. Die ene avond was echt zo hard en zo moeilijk.. Als ik eraan terug denk doet dat zo’n pijn. Hoe we er de volgende ochtend uitzagen hoef ik niet te zeggen. (lelijk dus 😉 )

De rest van die vakantie hebben we weer gedaan alsof er niets aan de hand was. Maar voor mij leek het dat alles was gezegd. Natuurlijk had ik nog wel veel vragen (want ik had er geen enkele gesteld) maar het belangrijkste was gezegd. Papa zijn vragen waren min of meer beantwoord. Dat vond ik belangrijk. Maar ik vond het belangrijker om mij te amuseren. Dat heb ik gedaan, toch een heel klein beetje. Want natuurlijk was het geen echte vakantie. Natuurlijk was er een hele rare sfeer. Natuurlijk dachten we er constant aan dat dat de laatste vakantie ooit met ons vijven was. Natuurlijk was het bang afwachten wanneer papa echt ziek zou worden. Maar die moment kwam er maar niet. Soms dacht ik dat ze fout waren geweest in het ziekenhuis. Mijn papa had niks, hij was gezond. Hoe kon hij nu binnen enkele maanden doodgaan als hij er nu nog zo gezond uitzag?

De vakantie was afgelopen, de laatste vakantie. Terug thuis werd die vreemde sfeer enkel erger. De rest vertel ik een andere keer. Want het is te moeilijk.