Het verhaal: vervolg

Standaard

Ik heb weer het gevoel dat ik over vroeger moet praten/schrijven. Onder het motto dat opkroppen slecht is, schrijf ik het hier allemaal maar op.

Ik was de vorige keer tot eind augustus geraakt. Dus zal ik vanaf daar proberen verder te gaan. Maar dat is moeilijk. Niet alleen emotioneel maar vooral geestelijk. (dat klinkt stom) Ik bedoel dus dat ik het eigenlijk allemaal niet goed meer weet. Ik weet niet meer wanneer wat is gebeurd, in welke volgorde of al helemaal niet op welke dag. Daarom zal ik gewoon enkele dingen die ik mij nog goed herinner vertellen.

Mijn papa kon dus niets meer zelf. Of toch bijna niets meer. Zijn ene arm kon hij nog bewegen (ik denk dat het de rechter was maar daar ben ik zelfs niet zeker meer van). Dus met die arm probeerde hij zijn eten op te scheppen. Maar dat ging heel moeilijk. Dus moesten we hem bijna altijd helpen. Net een baby’tje. Een hapje voor papa, een hapje voor mama. Gelukkig moesten we dat er niet bij zeggen. Het was zo al erg genoeg. Een 18-jarige dochter die haar 49-jarige vader eten moet geven. Terwijl die vader niet wil eten, terwijl die vader het niet lekker vind, terwijl die vader helemaal scheef in zijn rolstoel zit, terwijl die vader met een lege blik in zijn ogen naar die dochter staart. Moeilijk, heel moeilijk.

Wat ik ook zo moeilijk vond was om zelf nog verder te gaan met mijn eigen leven. Want dat had ik eigenlijk niet meer, niemand bij ons thuis. Behalve Pieter dan. Pieter zat nog in zijn instelling en kwam soms in het weekend naar huis, zelfs niet elk weekend. En als hij dan eens thuis was bleef hij tot ’s middags in zijn bed liggen. Kwam hij aan tafel zitten, keek papa niet eens aan en begon te eten. Hij zag dat papa weer slechter was geworden, dat wij papa weer meer moesten helpen bij zijn eten, … Maar helpen, nee. Helpen was een woord dat Pieter blijkbaar niet kende. Eén keertje heeft hij geholpen om papa te verplaatsen van zijn rolstoel naar de zetel en toen had hij papa op een foute manier vastgenomen en had hij papa pijn gedaan. Toen was papa boos geworden en had hij gezegd dat hij niet meer moest helpen. Ik snap heel goed dat papa daarvoor boos was. Maar ik denk dat Pieter daardoor helemaal niet meer durfde of wou helpen. Want hij wist niet hoe. Hij zag papa enkel in het weekend en wist dus niet precies wat er verslechterd was of wat hij nu niet meer kon. Dus kon hij ook niet op de juiste manier helpen.

Papa in zijn bed leggen dat was moeilijk, of dat vonden mama en Jeroen toch. Maar ik kon dat goed. Dus mocht ik dat elke keer doen. Jeroen of mama hielpen om hem op zijn bed te zetten en dan mocht ik hem neerleggen. Met één soepele beweging. ‘Mijn verpleegsterke’ zei papa dan. Als er dan bezoek was en papa werd moe, dan moesten we hem ook in zijn bed leggen. En dan kwamen ze helpen om hem in zijn bed te leggen. Ik noemde dat niet helpen maar kijken. Want kijken deden ze. Ze keken hoe ik en Jeroen papa onder zijn armen vastnamen, ophieven, naar opzij draaiden, op het bed zetten, hoe ik mijn arm achter zijn rug plaatste en mijn andere arm onder zijn knieholte en hoe ik in die ene soepele beweging maakte om hem plat op zijn bed neer te leggen. En dan zeiden ze: ‘ahja, ze kan dat goed.’ Interessant vond ik het. Hoe onbeholpen kunnen mensen zich gedragen? Waarom probeerden ze dat ook niet eens? Waarom konden ze niet meer als gewoon kijken? Onbeholpen dus.

Sommigen van de familie probeerden wel eens te helpen, als ze zagen dat het ons niet meer lukte. Midden september werd het echt moeilijk om papa op te heffen en om hem te verplaatsen. In het begin kon ik dat alleen, of kon mama dat alleen. Daarna moesten we al per twee zijn, dan per drie. Maar midden september ging dat zelfs niet meer met drie. Soms vielen we zelf bijna op de grond omdat papa zo zwaar was, omdat hij niks meer kon meewerken. Hij was een gigantische patattenzak die je moest verplaatsen. Bijna onmogelijk dus.

Over de WC-avonturen kan ik véél vertellen maar ik denk niet dat dat zo plezant is om te horen. Het zijn nogal vuile, stinkende (erger als mestgeur), rare verhalen. Dus die zal ik jullie maar besparen. Ik denk dat het ook beter is voor mijzelf om die gewoon te vergeten, daar wil ik nooit meer aan terugdenken.

Nu ik aan het vertellen ben over midden september kan ik ook vertellen over de hoofdpijn. Papa had zoveel hoofdpijn. Ondragelijk. Hij kon er niet van slapen, hij kon er niet door liggen, hij kon er niet door praten, hij kon niets meer doen als die hoofdpijn er was. Enkel pijn hebben. Ik zag het zo aan zijn gezicht. Het enige wat we konden doen was een pilletje geven. Maar dat mocht maar om de 5 uur denk ik. Maar na een uur wou hij altijd al een nieuw pilletje. Of een ander pilletje. Of een plakker. Of nog iets anders. De dokter heeft zoveel verschillende vormen van medicatie gegeven. Maar niets hielp. De hoofdpijn bleef. Andere bijwerkingen kwamen er bij. Daarom heten ze bijwerkingen. Om de twee, drie dagen probeerde papa een nieuw pilletje, een nieuwe plakker, valium, … Van alles maar echt niets hielp. De tumor was blijkbaar zo groot geworden dat geen enkel pilletje de pijn kon stillen. Die vieze tumor drukte tegen zijn hoofd. Die vieze tumor deed mijn papa pijn. En wij konden niets doen behalve toekijken hoe papa daar lag.

Er was een dag waarop de huisdokter zei dat het niet langer verder kon zo, dat ze geen oplossing wist, dat ze er niets aan kon doen. Een operatie was onmogelijk. Ze had zelfs nog naar de professor gebeld, maar die had dus gezegd dat de tumor die operatie zou overleven maar papa niet. Geen operatie dus. Wel pijn. Veel pijn. Een pijn die ik mij niet kan voorstellen. Een ondraaglijke pijn die nooit stopt. Honderden messen die constant in je hoofd steken zonder je ooit een moment rust te geven, zelfs niet ’s nachts. Ondraaglijk. Het was één van die dagen dat we allemaal hard hebben zitten wenen. We waren allemaal kapot. Oververmoeid, hopeloos en verdrietig. Niets kon papa helpen, wij konden hem zelf niet meer mentaal steunen. Papa kon niets en wij konden niets. Hoe oneerlijk kan het leven zijn? Zo oneerlijk dat je er niets kan tegen inbrengen, hoe graag je ook zou willen.

Daarstraks had ik het over bijwerkingen. Eén van de vele bijwerkingen waren waanbeelden, hallucinaties. Dat was eng, echt eng. Papa lag in zijn bed. Hij was met zijn hand in de lucht aan het bewegen. Ik en mama zaten TV te kijken. Ik ging naar papa om te vragen wat er was. ‘Haar’ zei hij. ‘Overal haar.’ Ik zei dat ik nergens haar zag. ‘Jawel, overal, zoveel, het moet weg! Sarah, doet da weg!’ ‘Maar er is geen haar, papa’ zei ik. Hij bleef maar in de lucht zwaaien en doen met zijn hand. Hij probeerde de rondvliegende plukken haar te vangen maar het was te veel. Toen begon hij zelfs zijn haar van zijn armen uit te trekken. Heel zijn vel ‘bewoog’ omhoog. Echt vies om te zien. Ik en mama probeerden hem tegen te houden maar dat ging niet. Al het haar moest weg. Ik probeerde papa te kalmeren en ik bleef zeggen dat er geen haar was, dat hij dat zich maar inbeeldde, dat het niet erg was, dat hij zijn ogen moest toedoen, dat het dan zeker weg zou zijn. Maar niets hielp, hij bleef haar van zijn armen trekken en van zijn hoofd (terwijl daar nog maar enkele sprietjes opstonden). Hij werd echt lastig en dat was nooit een goed teken want dan kon het zijn dat hij weer een aanval ging krijgen. Dus gaven we hem een kalmeerpilletje. (geen gewoon hoor, iets speciaals waarvan ik de naam weeral niet meer weet) Na een tijdje viel hij in slaap. De volgende dag wist hij nog dat hij al dat haar had gezien maar toen wist hij ook dat het eigenlijk niet kon. Hij wist dat het waanbeelden waren en toch zag hij ze alsof het echt was. Dat moet toch ongelooflijk eng zijn. Iets zien dat niet kan, denken dat het echt is terwijl je weet dat het niet echt is omdat je weet dat je waanbeelden hebt. Eng. Hij zei zelfs dat hij mij had zien fietsen op het plafond en dat de lamp aan het rondzweven was. Of dat er overal mieren zaten.

Gelukkig zijn die waanbeelden na een paar dagen weg gegaan, dankzij een extra pilletje. Dankzij dat extra pilletje zullen er wel weer nieuwe bijwerkingen geweest zijn. Zo gaat dat. 1 pilletje om iets te voorkomen. 2 pilletjes om de bijwerkingen van dat ene pilletje te verminderen. Enzoverder. Zo kwam het dat hij rond de 30 pillen per dag moest nemen. Plus speciale plakkers en spuiten enzo. Een hele boekhouding. Daarom had ik het ‘pillenschema’ gemaakt. In excel maakte ik per week een tabel waarin alle pilletjes stonden die hij moest nemen. Onderverdeeld in ochtend, middag voor eten, middag tijdens eten, avond, extra. En dan moesten we elke keer aanvinken wat hij had genomen. Dat was wel heel handig. Zelfs de dokter bekeek dat schema dikwijls. Mijn schema. Daar was ik wel een beetje trots op. Maarja, wat heeft het uitgemaakt? Niets.

Oke, ik denk dat ik maar weer eens moet afronden. Deze post is al veel te lang. Sorry 😉 maar het moest er weer eens uit.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s