Maandelijks archief: mei 2014

Ik-mis-mijn-dode-papa-dag

Standaard

Soms heb ik het nog steeds verschrikkelijk moeilijk met de dood van mijn papa. Dan sta ik ’s ochtends op en denk ik: het is weer zo’n dag. Zo’n dag waarop alles mij aan hem doet denken. En ja, je raadt het al. Gisteren was zo’n dag.

Ik was alleen thuis, mijn mama ging een dagje naar zee. Dus ik dacht: gezellig, dan ga ik een dagje winkelen. Ik werd wakker en deed mijn gordijn omhoog. Ik keek naar mijn vensterbank en bekeek de foto van mijn papa. Voorzichtig nam ik de mini-urne vast. Ik moest er een dun laagje stof afvegen, zo lang was het geleden dat ik het had vastgenomen. Het is nu eenmaal geen prettige gedachte om je vader in zo’n potje te hebben zitten en dat een beetje te aaien. Daarom neem ik het zelden of nooit uit het doosje. Af en toe wrijf ik er wel eens over, zodat het proper blijft. En dat was nu blijkbaar een tijdje geleden. Laten we het op mijn stage steken.

En daar stond ik dus, met een paar restjes papa in mijn handen, starend naar zijn ogen. Mijn ogen. Heel even dacht ik: wat als ik mij hier nu op de grond zou leggen en een paar uur lang zou huilen? Maar ik bedacht mij al gauw dat dat geen zin heeft. Opnieuw heel voorzichtig legde ik de urne terug in het doosje. Andere mensen zouden het misschien iets schattigs of moois vinden, want je kan bijna niet raden dat het een urne is. Maar ik vind het eigenlijk vrij vies hoewel het er wel mooi uitziet. Datgene wat erin zit, maakt het vies.

Mijn dag was dus al goed gestart! Ach, het kan alleen maar beteren, dacht ik. De zon komt er misschien wat door en straks ga ik winkelen, enkel leuke vooruitzichten. Want ja, ik ben nu eenmaal dol op winkelen en het was zo lang geleden!

Iets voor de middag vertrok ik (eerst heb ik nog een paar uur opgeruimd – stage brengt zooooveel rommel met zich mee!) richting station. Toen ik op mijn trein stond te wachten kroop dat vreemde gevoel al langzaam in mijn huid en hoofd.

Hoe vaak heb ik hier wel niet gestaan met tranen in mijn ogen, dacht ik. Hoeveel uur na de dood van mijn papa stond ik hier al niet terug? Hoe vaak heb ik wel niet gedacht: is onder de trein springen minder erg dan het gemis van mijn papa? Hoe vaak heb ik niet gevloekt dat ik mijn papa terug wil? Het station is zo wat mijn plaatsje waar ik tot rust kom. Ik sta er graag te wachten (toch als het niet ijskoud is) op mijn trein. Ik hou van de stilte en de voorbijrijdende treinen. Ik hou ervan dat ik daar zo vaak heb gestaan en dat ik zo vaak niet wist hoe het verder moest met mijn leven. Ik hou ervan dat er dan bijna een jaar lang een lieve vriendin mij stond op te wachten om mij te troosten of te knuffelen. Ik hou ervan dat ik daar gewoon wat kan zitten en staren.

Ik beken, ik ben expres een half uur te vroeg vertrokken zodat ik daar nog wat kon zitten en staren. En nadenken. En treuren. Waarom is mijn papa dood? MIJN papa. Niet die van iemand anders, net mijn papa. Het blijft na meer dan 2 jaar en 7 maand oneerlijk. Zo oneerlijk. En het oneerlijkste is nog dat je er niets aan kan veranderen, hoe graag je ook wilt. Dood is dood en dat blijft voor altijd doder dan dood. Dit en nog veel meer spookte door mijn hoofd.

Eens aangekomen bij de winkels voelde ik mij niet beter. Zelfs niet heel even. Ik kon het zelf bijna niet eens geloven, de kledij, de juwelen, de schoenen, de hebbedingetjes, … maakten mij niet gelukkig. Ik voelde de euforie van nieuwe spulletjes niet. Normaal word ik even dolblij van winkelen. Deze keer dus niet.

Ik dwaalde wat rond in de winkels, ik kocht enkele spulletjes en slenterde door de drukke straten met muziek in mijn oren. Ik liep langs gelukkige koppeltjes, lieve oudjes, gezellige gezinnen en schattige vaders met dochters. Dat laatste raakte mij natuurlijk het diepst. Toen mijn papa nog maar net was gestorven kreeg ik automatisch tranen in mijn ogen als ik dit soort gelukkige duo’s tegen kwam. Maar na verloop van tijd werd ik hieraan gewoon en dacht ik niet meteen aan mijzelf en mijn papa. Gisteren dus wel. Plots zag ik overal geweldige vaders met aanhankelijke dochters. Plots voelde ik weer diezelfde, stekende pijn. Jaloerse pijn ook. Waarom zij wel en ik niet? Waarom mag ik niet gelukkig zijn? Waarom mag ik hier niet rondlopen met mijn papa?

Waarom? Die waarom-vragen waren al zo lang achterwege gebleven en nu waren ze plots terug. Ik weet niet WAAROM.

Ik had verschrikkelijk veel hoofdpijn gekregen dus ik zette mij even neer op een rustig pleintje. Ik moest mij heel erg hard inhouden om niet in tranen uit te barsten. Ik miste mijn papa plots weer zo verschrikkelijk hard en ik wist niet hoe het kwam. Het was gewoon zo’n dag. Een ik-mis-mijn-dode-papa-dag. Misschien had ik een bordje met die tekst rond mijn nek moeten hangen. Dan hadden voorbijgangers mij misschien wat kunnen troosten. Of ze hadden mij een zielige blik kunnen toewerpen.

Vandaag is het gelukkig niet zo’n dag. Ik voel mij nog steeds niet tiptop maar toch al wat beter. Het einde van een stage, het doet wat met een mens. Ik steek het daar maar op, dan moet ik het niet op mijzelf steken.

 

Laat ik nog eens afsluiten met een mooi liedje. Dat maakt alles toch nog altijd wat beter.

 

Dutje doen?

Standaard

Soms ben ik zo verschrikkelijk moe. Vandaag is weer zo’n dag. Stage doen is zo vermoeiend! Stage slorpt zowat mijn hele leven op. Buiten stage is er niets meer. Van ’s morgens tot ’s avonds ben ik bezig voor school. Voorbereiden, verbeteren, voorbereiden, verbeteren, voorbereiden, verbeteren, … Druk druk druk.

Tijdens de week voel ik me nog niet zo moe. Elk weekend val ik precies in een zwart gat. Gisteren was het schoolfeest, toen was ik dus ook helemaal niet zo moe. En vandaag, nu ik niet voor de klas sta of niet op school ben, maar gewoon thuis, krijg ik mijn klop weer. Mijn hoofd voelt zwaar, ik heb het warm en koud, mijn ogen pikken, ik ben op. En ja, morgen zal ik weer fris en monter voor de klas moeten staan. En ja, ik denk dat dat wel weer zal lukken.

Maar hetgeen ik mij telkens afvraag is: hoe kan ik dit ooit een heel schooljaar volhouden? Laat staan 20 schooljaren?! En maakt lesgeven mij gelukkig? Soms denk ik van wel, soms denk ik van niet. Ik vraag mij af of ik het ooit zal weten. Ik vraag mij ook af wat ik volgend jaar (lees: binnen 4 maand) ga doen. En soms wil ik gewoon van de wereld verdwijnen zodat ik mij over niets meer zorgen hoef te maken.

Ach, een keertje heel hard klagen en zagen, kan geen kwaad zeker?

Die ene week – deel 2

Standaard

Ik ga weer eens verder met het belangrijkste en meest indrukwekkende verhaal uit mijn jonge leventje. De dood van mijn papa.

Die ene week, de week na de dood van mijn papa, daar was ik gebleven.

Vrijdagnacht is hij gestorven, maandagochtend zat ik alweer in de les. Maandagavond gingen we gezellig zijn urne uitkiezen.

Wat we de rest van de week hebben gedaan, dat weet ik totaal niet meer.

Ik ben wel alle dagen naar school geweest, dat weet ik nog wel. En ik weet dat ik het heel vaak enorm moeilijk had. Dat mijn lichaam schreeuwde en dat ik toch niets kon uitbrengen. Dat de tranen stegen en stegen maar  dat er geen enkele overboord viel. Pas wanneer ik ’s avonds in mijn bed kroop, rolden de tranen eruit. Uren aan een stuk.

Terwijl ik in de les zat, wou ik zo vaak naar buiten lopen en blijven lopen. Zo ver als ik kon, zo ver totdat ik niet meer wist waar ik was. Maar ik kon het niet. Ik durfde niet te bewegen. Bang voor de reacties denk ik. Bang voor de blikken. Dus ik bleef rustig zitten.

Ik weet niet goed meer op welke dag het was, ik denk woensdag of donderdagavond, was het de laatste groet. De laatste keer dat de mensen mijn papa konden gaan bekijken. En groeten. Voor de aller aller laatste keer. Ik was enorm zenuwachtig en bang. Ik wou het dode lijf van mijn papa niet zien. En we wisten niet zeker of ik wel ergens in een aparte ruimte kon zitten zonder hem te zien liggen. Dus dat was nog extra spannend. Het was ook een koude avond. Ofwel leek het gewoon zo. Ik stond alleszins te bibberen.

Gelukkig was er een apart kamertje. Heel klein en vlak naast de deur van de kamer waar zijn lichaam lag. Als ik het mij goed herinner stond er niet eens een deur in. Gewoon een opening. In dat aparte zaaltje stonden 4 stoelen. Net genoeg aangezien we niet langer met 5 waren. Er stond ook een lelijke kaars. De eerste 5-tal minuten kwam er niemand. Behalve mijn tante en oma, die waren er al. Daarna kwam het volk. Veel mensen had ik nog nooit gezien. Ze gaven mij een hand of een kus. Ze zeiden allemaal “sterkte” of “innige deelneming” of “mijn deelneming” of “christelijke deelneming” of “hou je goed” of “hij was nog zo jong hé” of “hij ligt er mooi” of weet ik veel wat. Dat laatste kon ik nooit begrijpen. Hoe kan een dood lichaam er mooi bij liggen? Een dood lichaam is afschuwelijk. Zeker als in dat lichaam de beste papa ooit zat.

Het gekste moment dat ik mij nog herinner was toen de directeur van mijn hogeschool binnenkwam. Hij is (was eigenlijk, want hij is ondertussen met pensioen) ook de baas van mijn tante, die ook op mijn hogeschool werkt. Hij deed alsof hij mij al jaren kende, terwijl hij eerst dacht dat mijn broer voor lager onderwijs studeerde. Hij bood wel 5 keer zijn excuses aan omdat hij niet aanwezig zou kunnen zijn op de begrafenis. Hij bleef ook zeggen hoe verschrikkelijk het was en blabla. Gekke man. Daarna heb ik hem misschien nog 3 keer gezien, maar hij herkende mij al niet eens meer.

Nog een ander gek, maar mooi, moment was toen mijn beste vriendinnetje, van in de lagere school, mijn papa kwam groeten. Ik had haar al een jaar of 6 niet meer gesproken. En plots stond ze daar, ze had mij niets laten weten. Ze was er samen met haar lieve oma. Het ontroerde mij wel dat ze er was. Het ontroert mij nog steeds eigenlijk. Ik wist niet wat ik tegen haar moest zeggen, volgens mij heb ik dan ook niet veel meer dan 10 zinnen uitgewisseld met haar. Achja, het is en blijft heel lief van haar dat ze er was.

Ik was ergens blij dat dat deel ook al achter de rug was. Maar de begrafenis kwam dichter en dichter. Ik vond het allemaal zo eng en ik was constant zenuwachtig. Ik was bang voor wat er zou komen, ik wou niet definitief afscheid nemen van mijn papa. Geen begrafenis stond voor mij gelijk aan geen dood. Zolang hij niet begraven was, leek hij nog een beetje bij ons te zijn.

 

Maar zaterdag was het toch zover. Net iets meer dan een week na zijn dood dus. Mijn papa zijn begrafenis. Het moment waar ik al maanden bang voor was, was daar. Mijn papa wou gecremeerd worden, dat hadden we enkele maanden ervoor besproken. Die avond dat we dat hadden besproken, heb ik beseft dat ik mijn papa zou moeten afgeven. Die avond staat in mijn geheugen gegrift en eraan denken doet mij heel veel verdriet en pijn. Maar daar gaat het nu eigenlijk niet over.

De begrafenis. We hadden veel mensen verwacht en er waren ook echt veel mensen. De kerk zat vol en er moesten zelfs nog veel mensen rechtstaan. En het is niet om te stoefen, maar het was geen kleine kerk hoor. Achteraan stonden mijn klasgenoten uit het middelbaar. Ik wist dat ze zouden komen. Ik blijf het een beetje raar vinden omdat ik helemaal niet overeen kwam met mijn klasgenoten. Er keek nooit iemand naar mij om, ik was met niemand bevriend en niemand zag dat het slecht met me ging. Niemand is niet helemaal waar eigenlijk, ik had twee goede vriendinnen in mijn klas. Die vriendschap verliep niet altijd even goed, maar dat zal ik misschien nog een andere keer vertellen. Mijn klastitularis had tijdens de rapportuitdeling, enkele maanden ervoor dus, tegen mijn klasgenoten gezegd dat mijn papa ging sterven en dat ze naar de begrafenis moesten gaan. En ze hadden dus geluisterd want daar stonden ze ongemakkelijk te wezen. Ik vond het leuk dat ze zich ongemakkelijk voelden. Soms heb ik dat gevoel nog steeds maar ik weet dat het fout is. Zij konden er niets aan doen dat ik niet goed in de klasgroep lag, ik was de stille en ‘andere’ leerling.

Hoe de begrafenis juist verlopen is, weet ik niet echt meer. Het is één grote waas. Misschien mede omdat ik een soort kalmeerpilletje had genomen, eentje die mijn papa moest nemen wanneer hij één van zijn aanvallen kreeg. Het heeft mij rustig gehouden. En het heeft ervoor gezorgd dat ik mijn tekst heb kunnen voorlezen. Eerst las mijn broer een tekst voor, ik stond achter hem te wachten. Daarna was het aan mij en ging mijn broer dus achter mij staan. Alles ging heel vlot. Ik liet geen snik of traan. Totdat ik ver aan het einde van mijn tekst zat, ik vertelde over mijn broer en omdat ik hem wou aankijken, moest ik even achterom kijken. Hij stond te wenen en toen kreeg ik het ook. Snikkend las ik verder. De laatste zin: ‘Ik hoop dat ik een goede juf zal worden, zodat je trots kan zijn op mij.’ heeft bijna niemand kunnen verstaan door mijn gesnotter. Veel mensen kwamen nadien vragen wat ik nog had gezegd aan het einde. En al die mensen zeiden ook dat ik het zo goed had gedaan, zo straf dat ik dat kon. Ik was eigenlijk ook wel fier dat het gelukt was. En ze vonden mijn tekst ook heel mooi. Na de mis moesten we op een rijtje gaan staan zodat alle mensen ons een hand konden geven bij het naar buiten gaan. Ik vond het gek om al die mensen te zien. Ook verschillende docenten  van mijn hogeschool waren er. De liefste kwam mij een hand geven en stelde zich voor aan mijn mama. Deze docente heeft mij nadien nog een paar keer aangesproken, echt een lieve vrouw!

 

Toen we uit de kerk kwamen, was het mooi weer. Het zonnetje scheen ligtjes. Ik zag mijn klasgenoten vertrekken. Ik bleef nog wat ongemakkelijke babbeltjes doen met enkele ‘nieuwe’ vriendinnen.

Wanneer de lijkwagen toe kwam om de kist uit de kerk te halen, zijn we vertrokken. Als ik het mij goed voor heb, is mijn papa die dag niet gecremeerd. er was geen tijd meer ofzo. Maar dat maakte mij niet zoveel uit. Nu was MIJN papa voor goed weg. Alleen wist ik nog steeds niet hoe dat ging voelen.

 

Na de begrafenis volgde uiteraard de koffietafel. Ook hier was wel wat volk aanwezig. Ik herinner mij dat wij (ik, mama en mijn twee broers) bijna als laatste toe kwamen want heel de zaak was al vol. Ze hadden twee plaatsen voor mij vrij gehouden, één naast mijn vriendinnen en één naast mijn familie. Ik koos ervoor om eerst bij mijn familie te gaan zitten. Ik had na de mis een briefje toegestopt gekregen van mijn nieuwe lieve vriendin. Ik kon niet wachten om het te lezen en opende de brief. Ik denk dat ik na 2 zinnen al in tranen uitbarstte. Mijn broer, die recht over mij zat, kwam naar me toe om mij te troosten. Ik zie nog zo voor mij hoe hij de brief in zijn jaszak stopte, dan kon ik hem s’ avonds op mijn gemakje lezen.

De rest van de koffietafel verliep zoals elke koffietafel. Het enige verschil was dat deze koffietafel voor mijn papa werd gehouden en niet voor één of ander ver familielid. We lachten wat, we praatten wat, we mijmerden wat. Ik vertelde enthousiast aan mijn neef over mijn leuke nieuwe studies.

Nadien ging ik bij mijn vriendinnen zitten. Mijn oude vriendinnen, de nieuwe had ik niet uitgenodigd. Ik heb geen idee meer over wat we het gehad hebben. Ik weet wel nog dat L. en I. als laatste gebleven zijn. Dat vond ik wel leuk, ondanks de strubbelingen die onze vriendschap hadden moeten doorstaan.

Na de koffietafel gingen we uiteraard naar huis. Hoe het daar verliep, vertel ik een andere keer. Het is me allemaal wat te veel aan het worden.