Categorie archief: Mijn verhaal

BAM! BAM!

Standaard

Het gaat niet goed met mijn moeke. Mijn liefste oma, of moeke zoals wij haar altijd noemen. Ze is al een tijdje aan het sukkelen met haar gezondheid, zoals ze dat zo mooi kunnen zeggen. Maar dat sukkelen begon ons stilaan wel wat meer zorgen te baren. Ook moeke zelf begon zich zorgen te maken. Ze gaat sowieso al regelmatig naar haar huisdokter maar de laatste weken volgden die bezoekjes elkaar steeds sneller en sneller op. Onderzoekje hier en onderzoekje daar.

En eergisteren hadden ze eindelijk een antwoord klaar: darmkanker. BAM! Daar is dat boze woord weer. Het boze woord waarvan ik had gewenst het nooit meer tegen te komen – wat uiteraard een kinderachtige wens was, want kanker is overal – komt plots mijn leven weer binnengestormd.

Het voelt ook als een storm. Ik kan weer niets beginnen tegen het kankermonster. Ik heb het gevoel dat het monster al gewonnen heeft voordat het gevecht zelfs nog maar gestart is. Mijn oma is niet meer van de jongste en ze is het laatste jaar sterk verzwakt (mooie woordspeling trouwens hé).

Mijn mama was nog maar tien minuten terug thuis, ze was met moeke naar het ziekenhuis geweest om nog een scan te laten nemen van haar longen, toen de telefoon plots begon te rinkelen. Mijn hart sloeg een paar slagen over. Mijn mama werd rood en ik zag duidelijk de angst en paniek in haar ogen. Een blik die pijnlijke herinneringen naar boven bracht. Diezelfde blik had ze toen een tante belde om te zeggen dat mijn opa was overleden. Diezelfde blik had ze toen we weer eens slecht nieuws kregen over de gezondheid van mijn papa.

Ze nam haar handtas terwijl ze nog aan het bellen was, mijn mama. Dit is niet goed. Dit is helemaal niet goed, dacht ik. Ik twijfelde wie er aan de lijn was, mijn tante of mijn oma. Blijkbaar was het mijn oma. Haar dokter had haar gebeld om te zeggen dat ze meteen terug naar het ziekenhuis moest. Verschillende klonters in de longen en een longembolie. BAM!

En dan zeggen dat ik deze middag nog gezellig naast moeke zat te babbelen over mijn nieuwe job. Maar in mijn achterhoofd bedacht ik mij terwijl dat dit misschien één van de laatste ‘normale’ babbeltjes kon zijn. In mijn achterhoofd ben ik verschrikkelijk, maar dan ook verschrikkelijk, bang. In mijn achterhoofd heb ik zelfs al een tekstje klaar voor op haar begrafenis.

Ik weet dat ik zo niet mag denken, maar het is sterker als mijzelf. En daarbovenop komt nog eens dat mijn voorgevoel mij op momenten als deze vaak niet in de steek laat. Ik voel die pijn in mijn buik alweer. Ik voel dat het niet goed komt, maar ik wil zo graag geloven dat het wel goed komt. Want mijn moeke is een sterke vrouw, altijd al geweest. En als ik nog maar een sikkepitje van haar sterkte in mij heb, dan zou ik daar al heel fier op zijn.

Laat ik maar gewoon geloven en hopen in de kracht van moeke.

Advertenties

Die ene sms

Standaard

Ze zijn thuis, mijn ouders. Terug een gezwel in zijn hersenen. In het hersenvlies. Daar is niks meer aan te doen. We zijn allemaal beginne te bleiten. Kben terug aan het leren want kdurf ni te vragen hoe lang hij nog gaat leven. Sorry dak da zo via sms zet. Ma kweet gwn ni wa ik anders moet doen. Zelfs mijn papa was aant wenen en diene hebk nog nooit zien wenen. Maja logisch da hij weent, hij is degene da dood ga he. Niemand heeft da uitgesproken. Ma da is zo he. Er is niks meer aan te doen. Dus ja.

Verzonden om 15u01 op 09/06/2011 – aan Iris

Dit is die ene sms die ik stuurde op die ene dag. Die ene dag waarop ik 100 % zeker wist dat het kankermonster mijn papa zou weghalen van deze wereld.

Die ene week – deel 2

Standaard

Ik ga weer eens verder met het belangrijkste en meest indrukwekkende verhaal uit mijn jonge leventje. De dood van mijn papa.

Die ene week, de week na de dood van mijn papa, daar was ik gebleven.

Vrijdagnacht is hij gestorven, maandagochtend zat ik alweer in de les. Maandagavond gingen we gezellig zijn urne uitkiezen.

Wat we de rest van de week hebben gedaan, dat weet ik totaal niet meer.

Ik ben wel alle dagen naar school geweest, dat weet ik nog wel. En ik weet dat ik het heel vaak enorm moeilijk had. Dat mijn lichaam schreeuwde en dat ik toch niets kon uitbrengen. Dat de tranen stegen en stegen maar  dat er geen enkele overboord viel. Pas wanneer ik ’s avonds in mijn bed kroop, rolden de tranen eruit. Uren aan een stuk.

Terwijl ik in de les zat, wou ik zo vaak naar buiten lopen en blijven lopen. Zo ver als ik kon, zo ver totdat ik niet meer wist waar ik was. Maar ik kon het niet. Ik durfde niet te bewegen. Bang voor de reacties denk ik. Bang voor de blikken. Dus ik bleef rustig zitten.

Ik weet niet goed meer op welke dag het was, ik denk woensdag of donderdagavond, was het de laatste groet. De laatste keer dat de mensen mijn papa konden gaan bekijken. En groeten. Voor de aller aller laatste keer. Ik was enorm zenuwachtig en bang. Ik wou het dode lijf van mijn papa niet zien. En we wisten niet zeker of ik wel ergens in een aparte ruimte kon zitten zonder hem te zien liggen. Dus dat was nog extra spannend. Het was ook een koude avond. Ofwel leek het gewoon zo. Ik stond alleszins te bibberen.

Gelukkig was er een apart kamertje. Heel klein en vlak naast de deur van de kamer waar zijn lichaam lag. Als ik het mij goed herinner stond er niet eens een deur in. Gewoon een opening. In dat aparte zaaltje stonden 4 stoelen. Net genoeg aangezien we niet langer met 5 waren. Er stond ook een lelijke kaars. De eerste 5-tal minuten kwam er niemand. Behalve mijn tante en oma, die waren er al. Daarna kwam het volk. Veel mensen had ik nog nooit gezien. Ze gaven mij een hand of een kus. Ze zeiden allemaal “sterkte” of “innige deelneming” of “mijn deelneming” of “christelijke deelneming” of “hou je goed” of “hij was nog zo jong hé” of “hij ligt er mooi” of weet ik veel wat. Dat laatste kon ik nooit begrijpen. Hoe kan een dood lichaam er mooi bij liggen? Een dood lichaam is afschuwelijk. Zeker als in dat lichaam de beste papa ooit zat.

Het gekste moment dat ik mij nog herinner was toen de directeur van mijn hogeschool binnenkwam. Hij is (was eigenlijk, want hij is ondertussen met pensioen) ook de baas van mijn tante, die ook op mijn hogeschool werkt. Hij deed alsof hij mij al jaren kende, terwijl hij eerst dacht dat mijn broer voor lager onderwijs studeerde. Hij bood wel 5 keer zijn excuses aan omdat hij niet aanwezig zou kunnen zijn op de begrafenis. Hij bleef ook zeggen hoe verschrikkelijk het was en blabla. Gekke man. Daarna heb ik hem misschien nog 3 keer gezien, maar hij herkende mij al niet eens meer.

Nog een ander gek, maar mooi, moment was toen mijn beste vriendinnetje, van in de lagere school, mijn papa kwam groeten. Ik had haar al een jaar of 6 niet meer gesproken. En plots stond ze daar, ze had mij niets laten weten. Ze was er samen met haar lieve oma. Het ontroerde mij wel dat ze er was. Het ontroert mij nog steeds eigenlijk. Ik wist niet wat ik tegen haar moest zeggen, volgens mij heb ik dan ook niet veel meer dan 10 zinnen uitgewisseld met haar. Achja, het is en blijft heel lief van haar dat ze er was.

Ik was ergens blij dat dat deel ook al achter de rug was. Maar de begrafenis kwam dichter en dichter. Ik vond het allemaal zo eng en ik was constant zenuwachtig. Ik was bang voor wat er zou komen, ik wou niet definitief afscheid nemen van mijn papa. Geen begrafenis stond voor mij gelijk aan geen dood. Zolang hij niet begraven was, leek hij nog een beetje bij ons te zijn.

 

Maar zaterdag was het toch zover. Net iets meer dan een week na zijn dood dus. Mijn papa zijn begrafenis. Het moment waar ik al maanden bang voor was, was daar. Mijn papa wou gecremeerd worden, dat hadden we enkele maanden ervoor besproken. Die avond dat we dat hadden besproken, heb ik beseft dat ik mijn papa zou moeten afgeven. Die avond staat in mijn geheugen gegrift en eraan denken doet mij heel veel verdriet en pijn. Maar daar gaat het nu eigenlijk niet over.

De begrafenis. We hadden veel mensen verwacht en er waren ook echt veel mensen. De kerk zat vol en er moesten zelfs nog veel mensen rechtstaan. En het is niet om te stoefen, maar het was geen kleine kerk hoor. Achteraan stonden mijn klasgenoten uit het middelbaar. Ik wist dat ze zouden komen. Ik blijf het een beetje raar vinden omdat ik helemaal niet overeen kwam met mijn klasgenoten. Er keek nooit iemand naar mij om, ik was met niemand bevriend en niemand zag dat het slecht met me ging. Niemand is niet helemaal waar eigenlijk, ik had twee goede vriendinnen in mijn klas. Die vriendschap verliep niet altijd even goed, maar dat zal ik misschien nog een andere keer vertellen. Mijn klastitularis had tijdens de rapportuitdeling, enkele maanden ervoor dus, tegen mijn klasgenoten gezegd dat mijn papa ging sterven en dat ze naar de begrafenis moesten gaan. En ze hadden dus geluisterd want daar stonden ze ongemakkelijk te wezen. Ik vond het leuk dat ze zich ongemakkelijk voelden. Soms heb ik dat gevoel nog steeds maar ik weet dat het fout is. Zij konden er niets aan doen dat ik niet goed in de klasgroep lag, ik was de stille en ‘andere’ leerling.

Hoe de begrafenis juist verlopen is, weet ik niet echt meer. Het is één grote waas. Misschien mede omdat ik een soort kalmeerpilletje had genomen, eentje die mijn papa moest nemen wanneer hij één van zijn aanvallen kreeg. Het heeft mij rustig gehouden. En het heeft ervoor gezorgd dat ik mijn tekst heb kunnen voorlezen. Eerst las mijn broer een tekst voor, ik stond achter hem te wachten. Daarna was het aan mij en ging mijn broer dus achter mij staan. Alles ging heel vlot. Ik liet geen snik of traan. Totdat ik ver aan het einde van mijn tekst zat, ik vertelde over mijn broer en omdat ik hem wou aankijken, moest ik even achterom kijken. Hij stond te wenen en toen kreeg ik het ook. Snikkend las ik verder. De laatste zin: ‘Ik hoop dat ik een goede juf zal worden, zodat je trots kan zijn op mij.’ heeft bijna niemand kunnen verstaan door mijn gesnotter. Veel mensen kwamen nadien vragen wat ik nog had gezegd aan het einde. En al die mensen zeiden ook dat ik het zo goed had gedaan, zo straf dat ik dat kon. Ik was eigenlijk ook wel fier dat het gelukt was. En ze vonden mijn tekst ook heel mooi. Na de mis moesten we op een rijtje gaan staan zodat alle mensen ons een hand konden geven bij het naar buiten gaan. Ik vond het gek om al die mensen te zien. Ook verschillende docenten  van mijn hogeschool waren er. De liefste kwam mij een hand geven en stelde zich voor aan mijn mama. Deze docente heeft mij nadien nog een paar keer aangesproken, echt een lieve vrouw!

 

Toen we uit de kerk kwamen, was het mooi weer. Het zonnetje scheen ligtjes. Ik zag mijn klasgenoten vertrekken. Ik bleef nog wat ongemakkelijke babbeltjes doen met enkele ‘nieuwe’ vriendinnen.

Wanneer de lijkwagen toe kwam om de kist uit de kerk te halen, zijn we vertrokken. Als ik het mij goed voor heb, is mijn papa die dag niet gecremeerd. er was geen tijd meer ofzo. Maar dat maakte mij niet zoveel uit. Nu was MIJN papa voor goed weg. Alleen wist ik nog steeds niet hoe dat ging voelen.

 

Na de begrafenis volgde uiteraard de koffietafel. Ook hier was wel wat volk aanwezig. Ik herinner mij dat wij (ik, mama en mijn twee broers) bijna als laatste toe kwamen want heel de zaak was al vol. Ze hadden twee plaatsen voor mij vrij gehouden, één naast mijn vriendinnen en één naast mijn familie. Ik koos ervoor om eerst bij mijn familie te gaan zitten. Ik had na de mis een briefje toegestopt gekregen van mijn nieuwe lieve vriendin. Ik kon niet wachten om het te lezen en opende de brief. Ik denk dat ik na 2 zinnen al in tranen uitbarstte. Mijn broer, die recht over mij zat, kwam naar me toe om mij te troosten. Ik zie nog zo voor mij hoe hij de brief in zijn jaszak stopte, dan kon ik hem s’ avonds op mijn gemakje lezen.

De rest van de koffietafel verliep zoals elke koffietafel. Het enige verschil was dat deze koffietafel voor mijn papa werd gehouden en niet voor één of ander ver familielid. We lachten wat, we praatten wat, we mijmerden wat. Ik vertelde enthousiast aan mijn neef over mijn leuke nieuwe studies.

Nadien ging ik bij mijn vriendinnen zitten. Mijn oude vriendinnen, de nieuwe had ik niet uitgenodigd. Ik heb geen idee meer over wat we het gehad hebben. Ik weet wel nog dat L. en I. als laatste gebleven zijn. Dat vond ik wel leuk, ondanks de strubbelingen die onze vriendschap hadden moeten doorstaan.

Na de koffietafel gingen we uiteraard naar huis. Hoe het daar verliep, vertel ik een andere keer. Het is me allemaal wat te veel aan het worden.

 

 

 

 

 

Die ene week – deel 1

Standaard

Ik heb het gevoel dat ik moet verder gaan met mijn verhaal, dus dat doe ik dan ook.

Ik ben gestopt bij die ene nacht, dus nu ga ik verder met die ene week. De week na de dood van mijn papa.

Van de ochtend na die ene nacht weet ik niet veel meer. Ik weet niet meer of ik vroeg wakker was, ik weet niet meer of ik mij meteen heb aangekleed (maar ik veronderstel van niet). Ik weet wel nog dat ik samen met mijn mama op de chauffage ben gaan zitten. Dat is ons gezellige plekje of het plekje waar we troost en warmte zoeken, letterlijk dan. Daar, op de chauffage, heeft mama gebeld naar mijn broers. Daar heeft ze hen met een krop in de keel en tranen op haar wangen verteld dat hun vader gestorven is. En dat ze best naar huis kwamen maar dat ze hen niet mochten haasten.

Ik weet niet meer wat we in de tussentijd hebben gedaan. Ik weet niet of er hier thuis toen al iemand van de familie aanwezig was. Ik weet enkel nog dat Jeroen eerder thuis was dan Pieter. En dat Pieter zich geen houding wist te geven wanneer hij binnen kwam. Jeroen kwam mij en mama meteen knuffelen, Pieter niet. Meer weet ik niet meer.

Blijkbaar zitten de herinneringen aan de volgende dagen veel verder dan de momenten vlak na zijn dood. De hele week na de dood van mijn papa is heel vaag. Ik kan mij nog stukken herinneren maar ik weet vaak niet wat zich op welke dag heeft afgespeeld.

Op een bepaald moment waren er veel mensen bij ons thuis. Dat was volgens mij zaterdag, de eerste dag dus na de dood van mijn papa. Wie er allemaal aanwezig was, weet ik niet meer. Ik denk dat ze rond de middag op ‘bezoek’ gingen bij mijn papa. Iedereen vroeg of ik niet mee wou maar ik had al lang beslist dat ik zijn lichaam nooit meer wou zien. De enige die het begreep, waren mijn tante en nicht. Mijn nicht is toen bij gebleven. Iedereen ging dus kijken naar mijn dode papa terwijl wij gezellig in de zetel naar Ice Age aan het kijken waren. Toevallig ook één van mijn papa zijn favoriete films. Geen idee welke Ice Age het was. Ik denk ook niet dat ik echt aan het opletten was. Gewoon wat kijken naar de beelden zonder na te denken of zonder eigenlijk te horen wat er gezegd wordt. Maar het was goed zo. Nog voor ik het wist, was iedereen al terug. Dat is een moment dat ik mij nog goed kan herinneren.

Daarna zijn we volgens mij begonnen aan de voorbereidingen voor de begrafenis. Eerst het doodsprentje. Mijn tante had allemaal voorbeeldjes bij. De begrafenisondernemer was ook van de partij. Dat was nogal een vreemde man. Ook helemaal niet sympathiek vond ik. Achja. Foto’s zoeken, foto’s vergelijken, tekstjes zoeken, tekstjes vergelijken, … Een keertje heel hard beginnen wenen, een keertje getroost worden, een keertje lachen, je een keertje schamen voor je lach, … Het is allemaal zo’n mengelmoes van gevoelens en gedachten. Je kan jezelf niet volgen, het gaat allemaal zo snel. En dat terwijl je al maanden wist dat dit eraan zat te komen.

Normaal gingen ik en mijn mama zaterdag naar de bib gaan, elk jaar is het een speciale ‘dag van de bib’ waarop je gratis CD’s en DVD’s mag ontlenen. Ik had de vrijdag allemaal leuke CD’s enzo opgezocht die ik wou ontlenen. Ik had alles netjes opgeschreven. Spijtig genoeg bracht de dood van mijn papa alle plannen in de war. We zijn niet meer in de bib geraakt. Mijn tante (de zus van mijn mama) werkt in die bib en zij moest wel nog even langsgaan. Zij had voor mij dan toch nog enkele CD’s geleend. En hetgene dat mij vooral is bijgebleven zijn de bladwijzers. Eentje met mijn naam, eentje met die van mijn broers, eentje met die van mijn mama én eentje met die van mijn papa. Ze had die speciaal nog laten maken. Alsof ik een bladwijzer ga gebruiken met ‘Koen’ erop? Maar het was wel lief bedoeld, dat wel.

’s Avonds kwam er een super lieve vriendin langs. Ik kende haar nog maar minder dan een maand. Maar toen ik haar het slechte nieuws sms’te, belde ze mij meteen om te vragen of ze langs moest komen. Er hadden ook al 3 andere vriendinnen hetzelfde voorgesteld. Op één of andere manier had ik daar geen behoefte aan. Of geen zin in. Maar het bezoek van mijn ‘nieuwe’ vriendin, dat zag ik wel zitten, ik liet haar langskomen. Hoe lang we hebben gepraat, dat weet ik niet meer. Ik weet wel dat ik niet zo heel veel heb gezegd. Ik was vooral aan het wenen en ik werd getroost en geknuffeld. Haar bezoek heeft mij echt enorm veel deugd gedaan. Gewoon ook eventjes wat andere verhalen horen, over haar nieuwe vlam bijvoorbeeld, deden mij deugd. Ik weet nog dat ze een paar dagen later verschoot dat ik haar verhaal nog wist. Ze dacht dat ik dat al vergeten was. Misschien was ik ook meer dan de helft vergeten maar dat stukje wist ik nog. Vanaf dat bezoek wist ik het zeker: ik sta er niet alleen voor. Ik kon mij echter nog helemaal niet voorstellen hoe de volgende maanden, jaren, … gingen verlopen. Volgens mij was dat het gene wat ik mij constant afvroeg: wat gaat er allemaal op mij afkomen? Hoe ga ik erop reageren? Hoe gaan andere mensen erop reageren? Wat als ik het nooit kan verwerken? Wat als ik gek word van verdriet? Enzoverder enzoverder.

 

De dag erna, zondag dus, was alles ongeveer hetzelfde denk ik. Misschien zijn we die dag een kist gaan uitkiezen, ofwel was dat maandag, dat weet ik niet meer.

Zoals altijd, vond ik het belangrijk dat ik mijn schoolwerk niet liet liggen. Ik had nog een taak te maken, dus daar begon ik aan te werken. Normaal moest ik daar een kind van de lagere school voor interviewen. Dat heb ik maar achterwege gelaten, ik heb mijn (ik denk toen 14-jarige) nicht geïnterviewd. Niet de nicht die mee naar Ice Age had gekeken. Eén van mijn vele andere nichten.

Wat we voor de rest hebben gedaan, dat weet ik niet meer. Echt niet.

 

Tijd voor maandag. Maandag, een schooldag, dus ging ik naar school. Ik schraapte al mijn moed bij elkaar en was eigenlijk blij dat ik thuis weg kon. Even weg van al het verdriet.

Die ene lieve vriendin, die al op bezoek was geweest, nam altijd samen de trein met mij. Ze kon mij dus meteen opvangen. Volgens mij heeft ze die dag bijna geen seconde van mijn zijde geweken, voor zover ik mij kan herinneren. Want veel weet ik er eigenlijk ook niet meer van.

De blikken, die starende blikken, die herinner ik mij wel nog perfect. Ik zag en voelde hoe ze naar mij keken. Allemaal. Ook de leerkrachten. Dát is dat meisje dat haar vader is verloren. Ocharme het kind. Ik kon er niet echt tegen. Niemand die iets zei, enkel die blikken. Of misschien waren er wel enkele die er iets van zeiden maar het zullen er toch niet veel geweest zijn.

Tijdens de pauze ging ik naar het toilet, daar kwam ik 2 andere goeie vriendinnen tegen. Ze wisten zich geen houding te geven. Eentje vroeg: “Gaat het een beetje?” Volgens mij heb ik toen het volgende geantwoord: “Nee, maar het zal toch wel moeten gaan hé.” Daarna heb ik mij even opgesloten op het toilet. Daar zat ik veilig. Veilig genoeg om de tranen te laten lopen. Ik had geen zin om terug naar de klas te gaan. Maar ik moest, ik verplichte mijzelf, ik kon niet daar blijven. Dus ik stond recht en ging de klas opnieuw binnen. Met rode ogen en wangen ging ik braaf op mijn stoel zitten. Opnieuw diezelfde blikken. En een troostend gebaar van mijn lieve vriendin. Wat was ik blij dat zij er was.

’s Middags moest ik naar huis. We moesten opnieuw naar de begrafenisondernemer. Ik denk om de urne enzo uit te kiezen. Ik nam afscheid van mijn vriendin. Zij ging samen met de rest van de ‘klik’ gezellig iets eten. En ik bleef achter. Ik had nog even afgesproken met een andere vriendin, Lissa, ik ken haar al sinds de kleuterklas. Samen zaten we op de trap, naast de cafetaria van onze school. Veel zeiden we niet. Er waren dan ook geen woorden om duidelijk te maken hoe erg we het allebei vonden. Dus even later vertrok ik dan maar.

Weg van school, terug op weg naar het verdrietige thuisfront. Om daar dan een urne uit te kiezen. En dat was ook het moment waarop we ontdekten dat er een hele sector bestaat i.v.m. urnen en andere dingen om assen in op te bergen. Kettingen, ringen, armbandjes, fotokaders, … Urnen in alle kleuren van de regenboog en in alle mogelijke formaten: van een mini ‘knuffelurne’ tot een grote urne voor je dode kat (inclusief met een kattenpootjes design).Door die grote keuzemogelijkheid konden we niet meteen beslissen. We mochten zijn folders mee naar huis nemen om nog eens goed na te denken.

Het is echt zoals ze zeggen: er komt veel meer bij kijken dan je denkt!

 

De rest van ‘die ene week’ is voor een andere keer. Het is zwaar en vermoeiend om alle herinneringen naar boven te laten drijven.

Die ene nacht.

Standaard

Ik vertelde jullie dat er weer oude herinneringen boven kwamen door het overlijden van de nonkel van een vriendin van mij. (wat een lange en ingewikkelde zin, seg)

En ik wil deze herinneringen graag neerschrijven en dat ga ik bij deze dus doen. Het zijn herinneringen die zich afspelen vlak na de dood van mijn papa.

De nacht waarin ik hoorde dat mijn papa dood was, voelde ik mij even opgelucht. Heel erg opgelucht zelfs. Een zware last viel van mijn schouders. Het was gedaan. Het afzien was gedaan, de pijn van mijn papa was gedaan. Dit gevoel bleef jammer genoeg maar enkele minuten duren. Daarna kwam meer en meer het besef dat einde het begin was van een nieuw leven. Een nieuw leven zonder mijn papa. Een zwaar, moeilijk en triestig leven. Een leven dat ik mij totaal niet kon voorstellen. Ik werd enorm zenuwachtig. Zenuwachtig voor wat er mij allemaal te wachten stond. Mijn dode vader gaan bezichtigen, de begrafenis regelen voor mijn dode vader, feestdagen zonder mijn dode vader, studeren zonder mijn dode vader, een eigen huis kopen zonder mijn dode vader, … Kortom: een leven zonder mijn lieve papa. Je zou voor minder zenuwachtig worden.

Mijn broers waren toen nog van niets op de hoogte. Jeroen was een weekendje weg (ik weet niet meer naar waar) en Pieter zat zoals altijd op zijn kot. Ik en mijn mama hadden beslist dat het beter was hen pas de volgende ochtend te bellen. Het had toch geen zin dat ze midden in de nacht nog naar huis kwamen.

Ik en mama gingen die nacht wel nog naar mijn papa toe. Of toch naar wat nog van hem overbleef. Een wit-geel-achtig levenloos en scheef lichaam. De gedachte eraan maakt mij alweer misselijk en draaierig. We stonden daar trouwens niet in ons eentje. Mijn mama haar zus is ons thuis komen oppikken en heeft ons naar de Cirkel gebracht. Daar hebben we even in de gang gewacht en toen kwamen de zus en mama (mijn oma dus) van mijn papa en mijn nicht ook toe. Ondertussen waren de verpleegsters mijn papa nog aan het ‘klaarmaken’. Toen ze klaar waren, gingen we samen naar binnen.Er stonden kaarsjes te branden en er klonk muziek van Katie Melua. Bambi lag op de benen van mijn papa. Hij had een chique kostuum aan, een lichtpaars hemd en donkerpaarse plastron. Dat lag al allemaal klaar in zijn kastje daar.

Ik kon er niet lang blijven staan. Volgens mij ben ik er nog geen 5 minuten binnen gebleven. Ik kon dat beeld niet aanzien. En die Bambi op zijn benen al zeker niet. Bambi hoorde vanaf nu terug bij mij, in mijn armen. Bambi moest mij troosten. Samen met mijn nicht ben ik terug naar buiten gegaan. Samen hebben we in de rode lederen zeteltjes gewacht terwijl de rest nog bij dat dode lichaam stond te huilen. En ik vertelde aan mijn nicht over mijn nieuwe school en over de vele taakjes. Gek eigenlijk dat ik zelfs die dingen nog weet. Misschien omdat het zo gek is dat ik daarover vertelde. De dood van mijn papa was nog te afschuwelijk om over te praten, dus dan sprak ik maar over mijn tweede grote liefde: school.

We namen afscheid van elkaar (nee, ik nam geen afscheid van mijn papa) en vertrokken weer naar huis. Van de terugrit herinner ik mij niets. Van de heenrit trouwens wel. Ik weet nog dat het heel kalm was onderweg. Nergens beweging, bijna geen licht. Wij zaten in de grote veilige auto op weg naar het lichaam van mijn papa. Ik kan mij zelfs nog de geur herinneren van de auto, terwijl ik eigenlijk helemaal geen ‘geuren-geheugen’ heb.

Ik en mama kwamen thuis in een groot, leeg huis. Een huis dat plots helemaal anders aanvoelde. Veel killer. Veel triestiger. Ik weet nog dat mama vroeg of ik bij haar wou slapen. Ik zei dat het wel zou lukken om in mijn eentje in te slapen. En daar lagen we dan, elk in ons eigen bed. Mijn mama in haar grote, lege bed. Ik in mijn kleine bedje met Bambi tegen mij aangedrukt. Ik, denkend aan de volgende dagen, aan de begrafenis, aan de beelden van mijn dode papa. En denkend aan de tranen die niet echt kwamen. Ik was nog steeds enorm zenuwachtig. Ik kon niet slapen van de zenuwen. Ik weet niet meer hoe lang ik heb wakker gelegen maar ik denk niet dat het een eeuwigheid was. Ik was waarschijnlijk te vermoeid om lang wakker te liggen.

 

Het verhaal van de volgende ochtend, dat bewaar ik voor een volgende keer.

Het verbaasd mij trouwens hoeveel details ik nog weet. Ik dacht dat ik al veel vergeten was. Blijkbaar vergeet je zo’n gebeurtenissen niet zo snel. Toch denk ik dat ik er goed aan doe om ze neer te schrijven. Voor later. En ook een beetje voor nu, om ze weer wat meer plaats te geven.

 

 

De Cirkel

Standaard

Er zijn weer ‘oude’ herinneringen naar boven gekomen. Tijdens de les godsdienst zagen we een filmpje waarin enkele verpleegsters een bijbelverhaal moesten lezen en daarna moesten ze er hun mening over geven. Eén van die verpleegsters kwam mij al meteen bekend voor. Toen ze daarna beter in beeld kwam, wist ik het zeker. Het was één van de verpleegsters van mijn papa, toen hij al op de palliatieve afdeling, de Cirkel, lag.Ik schrok echt toen ik het helemaal door had. Ik was er helemaal niet goed van. Het was echt raar om haar nog eens terug te zien. Het zag er wel al een heel oud filmpje uit, maar ik herkende ze duidelijk én haar naam kwam erop, dus toen wist ik het 100% zeker.

Meteen kwamen er allemaal dingen terug die ik al helemaal was vergeten.

Het was net die ene verpleegster die mijn mama ’s nachts heeft opgebeld om te vertellen dat mijn papa was gestorven. Het was net die ene verpleegster waar we zo goed mee overeen kwamen, mijn mama vooral. Dat was de enige die echt met ons begaan was. Zij was de enige die gevoelens toonde. Alle andere verpleegsters of verplegers waren veel koeler. Dat begrijp ik helemaal, je kan niet altijd helemaal meegaan in het triestige verhaal van de patiënten, dat is niet vol te houden. Maar zij deed dat dus wel en vooral bij ons. Niet zo zeer bij de andere mensen daar.

Mijn papa was dan ook de jongste die ze tot dan toe hadden gehad op de afdeling. En dan nog met 3 tamelijk jonge kinderen. Mijn papa is er ook heel lang gebleven. Het gebeurt daar niet vaak dat er mensen langer als een maand blijven. Ik heb meegemaakt dat er iemand 1 nacht is geweest en de volgende dag meteen in gestorven. Soms ging het er echt zo snel. Volgens mij is het gemiddelde verblijf daar een kleine twee weken.

Ik weet niet meer hoe lang mijn papa er exact heeft gelegen. Maar het was sowieso een maand. Een hele enge maand. Een maand vol bang afwachten. Een maand vol nieuwe ervaringen. Een maand vol pijn en verdriet. Maar ook een maand waarin er plaats was voor opluchting. We waren allemaal heel erg opgelucht dat hij daar was. Het was thuis niet langer vol te houden.

Ik heb een enorme bewondering voor wie iemand jaar in jaar uit thuis verzorgt. Of voor mensen die hun dierbare thuis laten sterven. Ik ben heel blij dat mijn papa daar is gestorven. Als hij thuis was gestorven had die vieze herinnering hier steeds blijven rondhangen. Nu speelt die herinnering zich af op een plaats waar ik, hopelijk, nooit meer hoef te komen. Maar langs een andere kant, vind ik het wel jammer dat mijn papa helemaal alleen is gestorven. Zeker wanneer ik verhalen hoor, lees of zie van mensen die bang zijn om alleen te sterven. De gedachte dat mijn papa helemaal alleen, op een akelige en ongezellige en onbekende plaats is gestorven, doet mij nog steeds heel veel verdriet en pijn.

Maar dan denk ik weer dat mijn papa dapper genoeg was om alleen te sterven. Of soms denk ik dat hij het gewoon niet meer besefte. Maar soms denk ik ook dat hij alles nog perfect besefte. Ik weet het niet.

Alle herinneringen aan de Cirkel doen mij pijn en maken mij enorm verdrietig. Zo verdrietig dat ik het heel, heel moeilijk vind om erover te schrijven. Erover praten zou ik al helemaal niet kunnen.

Kon ik de tijd maar terugdraaien. Dat denk ik dan stilletjes…

We both know

Standaard

Wat gaat de tijd toch zo ongelooflijk snel… Mijn familie zei het gisteren een aantal keer en het is ook echt zo. Een jaar geleden was het nu echt een verschrikkelijke tijd. Alles was zo onzeker en eng en moeilijk en zwaar en vermoeiend en hard en stom en druk en zenuwslopend en raar en nieuw en triestig en …

Een jaar geleden dus. Een jaar geleden moest mijn papa véél pillen nemen. Daar moest ik daarnet aan terug denken. Het was zo moeilijk om te onthouden wat hij wanneer moest nemen. Dus daarom was ik op het idee gekomen om een pillenschema te maken. Hier is een foto van het pillenschema dat morgen exact 1 jaar oud is. Al die pilletjes, het was om gek van te worden…

Als ik terug denk aan die periode, krijg ik helemaal geen leuk gevoel. Maar het was nu eenmaal zo en er valt niets meer aan te veranderen. Hoeveel pillen hij ook nam, het heeft niets geholpen. Het was allemaal maar om de pijn een klein beetje te verzachten. De ene keer lukte dat, de andere keer niet. Het was met vallen en opstaan. Dat doe ik nu nog steeds. Zo vader, zo dochter.

Somewhere over the rainbow

Standaard

Een gelukkig en triestig moment tegelijk. Zo voelde ik mij daarstraks.

Ik keek naar buiten. Een zacht schijnende zon. En schuinvallende regen. Mooi.

Maar hetgeen wat nog mooier was, daar dacht  ik pas enkele momenten later aan. Een regenboog. Er moest wel een regenboog zijn! Snel liep ik naar het venster. En ja, natuurlijk was er een regenboog. Een prachtige. Zelden zo’n mooie regenboog gezien. De tranen stroomden over mijn wangen.

Nee, ik ben niet overgevoelig voor de prachtige natuurverschijnselen die we soms te zien krijgen. Maar het deed mij denken aan mijn papa. Op een dag, toen hij al heel ziek was, was het ook aan het regenen en scheen de zon. Dus… Toen was er ook een regenboog te zien. Ik ging snel naar het venster en bewonderde de regenboog. Papa zat in zijn rolstoel, in de keuken. Waarschijnlijk zat hij daar gewoon te zitten, zoals hij toen altijd deed. Maar hij hoorde mij zeggen dat er een hele mooie regenboog was. Hij vroeg of ik hem niet naar het venster kon rijden. Ik wou wel proberen zei ik maar ik dacht niet dat het ging lukken (onze mini-living was nogal overvol toen en het was bijna onmogelijk om langs de zetel te rijden met de rolstoel, remember?). Maar ik wou dus proberen. Alles voor mijn papa. Maar zoals iedereen wel weet, regenbogen verdwijnen snel. Dus ik schoof snel de zetel opzij (met al mijn macht), ik duwde de rolstoel langs de zetel, manoeuvreerde de rolstoel voor het venster. Maar papa zat te laag, hij kon de regenboog niet zien. Ik probeerde een kussen onder hem te steken en na wat gefoefel lukte het mij. Ik zag hem glimlachen. Hij keek naar de regenboog. Wie weet dacht hij toen: ‘binnenkort ben ik misschien daar…’ Ik weet niet wat hij dacht. Maar hij leek heel eventjes gelukkig.

Toen vroeg hij of er geen liedjes bestaan over de regenboog. Dus ik zocht op youtube een liedje dat ik nog kende van Leki, Over the rainbow. Maar dat was niet het liedje dat papa bedoelde. Het was een ander. Ik zocht en zocht, maar ik vond geen ander. De regenboog vervaagde. En plots vond ik het liedje dat hij bedoelde. Somewhere over the rainbow, van Israel Kamakawiwo Ole. Prachtig liedje. Paste perfect bij die moment.

 

 

Wanneer we liedjes moesten kiezen voor tijdens de begrafenis, dacht ik meteen aan die moment. Ik wist meteen: dat liedje moeten we sowieso laten spelen. De tekst is ook zo mooi. De stem. Het idee. Ergens over de regenboog. Daar is mijn papa. Wie weet.

 

Om mijn verhaal af te ronden, ik zag nu dus die regenboog. En de tranen stroomden over mijn wangen. Maar ik voelde terwijl een soort rust. Geluk? Verbondenheid? Wie weet het? Maar het was alleszins een mooi moment. Daar, bij die regenboog wacht mijn papa op mij. Dat wil ik wel geloven.

En daarom is die regenboog mijn nieuwe ‘hoofdingsafbeelding’.

 

Het verhaal: vervolg

Standaard

Ik heb weer het gevoel dat ik over vroeger moet praten/schrijven. Onder het motto dat opkroppen slecht is, schrijf ik het hier allemaal maar op.

Ik was de vorige keer tot eind augustus geraakt. Dus zal ik vanaf daar proberen verder te gaan. Maar dat is moeilijk. Niet alleen emotioneel maar vooral geestelijk. (dat klinkt stom) Ik bedoel dus dat ik het eigenlijk allemaal niet goed meer weet. Ik weet niet meer wanneer wat is gebeurd, in welke volgorde of al helemaal niet op welke dag. Daarom zal ik gewoon enkele dingen die ik mij nog goed herinner vertellen.

Mijn papa kon dus niets meer zelf. Of toch bijna niets meer. Zijn ene arm kon hij nog bewegen (ik denk dat het de rechter was maar daar ben ik zelfs niet zeker meer van). Dus met die arm probeerde hij zijn eten op te scheppen. Maar dat ging heel moeilijk. Dus moesten we hem bijna altijd helpen. Net een baby’tje. Een hapje voor papa, een hapje voor mama. Gelukkig moesten we dat er niet bij zeggen. Het was zo al erg genoeg. Een 18-jarige dochter die haar 49-jarige vader eten moet geven. Terwijl die vader niet wil eten, terwijl die vader het niet lekker vind, terwijl die vader helemaal scheef in zijn rolstoel zit, terwijl die vader met een lege blik in zijn ogen naar die dochter staart. Moeilijk, heel moeilijk.

Wat ik ook zo moeilijk vond was om zelf nog verder te gaan met mijn eigen leven. Want dat had ik eigenlijk niet meer, niemand bij ons thuis. Behalve Pieter dan. Pieter zat nog in zijn instelling en kwam soms in het weekend naar huis, zelfs niet elk weekend. En als hij dan eens thuis was bleef hij tot ’s middags in zijn bed liggen. Kwam hij aan tafel zitten, keek papa niet eens aan en begon te eten. Hij zag dat papa weer slechter was geworden, dat wij papa weer meer moesten helpen bij zijn eten, … Maar helpen, nee. Helpen was een woord dat Pieter blijkbaar niet kende. Eén keertje heeft hij geholpen om papa te verplaatsen van zijn rolstoel naar de zetel en toen had hij papa op een foute manier vastgenomen en had hij papa pijn gedaan. Toen was papa boos geworden en had hij gezegd dat hij niet meer moest helpen. Ik snap heel goed dat papa daarvoor boos was. Maar ik denk dat Pieter daardoor helemaal niet meer durfde of wou helpen. Want hij wist niet hoe. Hij zag papa enkel in het weekend en wist dus niet precies wat er verslechterd was of wat hij nu niet meer kon. Dus kon hij ook niet op de juiste manier helpen.

Papa in zijn bed leggen dat was moeilijk, of dat vonden mama en Jeroen toch. Maar ik kon dat goed. Dus mocht ik dat elke keer doen. Jeroen of mama hielpen om hem op zijn bed te zetten en dan mocht ik hem neerleggen. Met één soepele beweging. ‘Mijn verpleegsterke’ zei papa dan. Als er dan bezoek was en papa werd moe, dan moesten we hem ook in zijn bed leggen. En dan kwamen ze helpen om hem in zijn bed te leggen. Ik noemde dat niet helpen maar kijken. Want kijken deden ze. Ze keken hoe ik en Jeroen papa onder zijn armen vastnamen, ophieven, naar opzij draaiden, op het bed zetten, hoe ik mijn arm achter zijn rug plaatste en mijn andere arm onder zijn knieholte en hoe ik in die ene soepele beweging maakte om hem plat op zijn bed neer te leggen. En dan zeiden ze: ‘ahja, ze kan dat goed.’ Interessant vond ik het. Hoe onbeholpen kunnen mensen zich gedragen? Waarom probeerden ze dat ook niet eens? Waarom konden ze niet meer als gewoon kijken? Onbeholpen dus.

Sommigen van de familie probeerden wel eens te helpen, als ze zagen dat het ons niet meer lukte. Midden september werd het echt moeilijk om papa op te heffen en om hem te verplaatsen. In het begin kon ik dat alleen, of kon mama dat alleen. Daarna moesten we al per twee zijn, dan per drie. Maar midden september ging dat zelfs niet meer met drie. Soms vielen we zelf bijna op de grond omdat papa zo zwaar was, omdat hij niks meer kon meewerken. Hij was een gigantische patattenzak die je moest verplaatsen. Bijna onmogelijk dus.

Over de WC-avonturen kan ik véél vertellen maar ik denk niet dat dat zo plezant is om te horen. Het zijn nogal vuile, stinkende (erger als mestgeur), rare verhalen. Dus die zal ik jullie maar besparen. Ik denk dat het ook beter is voor mijzelf om die gewoon te vergeten, daar wil ik nooit meer aan terugdenken.

Nu ik aan het vertellen ben over midden september kan ik ook vertellen over de hoofdpijn. Papa had zoveel hoofdpijn. Ondragelijk. Hij kon er niet van slapen, hij kon er niet door liggen, hij kon er niet door praten, hij kon niets meer doen als die hoofdpijn er was. Enkel pijn hebben. Ik zag het zo aan zijn gezicht. Het enige wat we konden doen was een pilletje geven. Maar dat mocht maar om de 5 uur denk ik. Maar na een uur wou hij altijd al een nieuw pilletje. Of een ander pilletje. Of een plakker. Of nog iets anders. De dokter heeft zoveel verschillende vormen van medicatie gegeven. Maar niets hielp. De hoofdpijn bleef. Andere bijwerkingen kwamen er bij. Daarom heten ze bijwerkingen. Om de twee, drie dagen probeerde papa een nieuw pilletje, een nieuwe plakker, valium, … Van alles maar echt niets hielp. De tumor was blijkbaar zo groot geworden dat geen enkel pilletje de pijn kon stillen. Die vieze tumor drukte tegen zijn hoofd. Die vieze tumor deed mijn papa pijn. En wij konden niets doen behalve toekijken hoe papa daar lag.

Er was een dag waarop de huisdokter zei dat het niet langer verder kon zo, dat ze geen oplossing wist, dat ze er niets aan kon doen. Een operatie was onmogelijk. Ze had zelfs nog naar de professor gebeld, maar die had dus gezegd dat de tumor die operatie zou overleven maar papa niet. Geen operatie dus. Wel pijn. Veel pijn. Een pijn die ik mij niet kan voorstellen. Een ondraaglijke pijn die nooit stopt. Honderden messen die constant in je hoofd steken zonder je ooit een moment rust te geven, zelfs niet ’s nachts. Ondraaglijk. Het was één van die dagen dat we allemaal hard hebben zitten wenen. We waren allemaal kapot. Oververmoeid, hopeloos en verdrietig. Niets kon papa helpen, wij konden hem zelf niet meer mentaal steunen. Papa kon niets en wij konden niets. Hoe oneerlijk kan het leven zijn? Zo oneerlijk dat je er niets kan tegen inbrengen, hoe graag je ook zou willen.

Daarstraks had ik het over bijwerkingen. Eén van de vele bijwerkingen waren waanbeelden, hallucinaties. Dat was eng, echt eng. Papa lag in zijn bed. Hij was met zijn hand in de lucht aan het bewegen. Ik en mama zaten TV te kijken. Ik ging naar papa om te vragen wat er was. ‘Haar’ zei hij. ‘Overal haar.’ Ik zei dat ik nergens haar zag. ‘Jawel, overal, zoveel, het moet weg! Sarah, doet da weg!’ ‘Maar er is geen haar, papa’ zei ik. Hij bleef maar in de lucht zwaaien en doen met zijn hand. Hij probeerde de rondvliegende plukken haar te vangen maar het was te veel. Toen begon hij zelfs zijn haar van zijn armen uit te trekken. Heel zijn vel ‘bewoog’ omhoog. Echt vies om te zien. Ik en mama probeerden hem tegen te houden maar dat ging niet. Al het haar moest weg. Ik probeerde papa te kalmeren en ik bleef zeggen dat er geen haar was, dat hij dat zich maar inbeeldde, dat het niet erg was, dat hij zijn ogen moest toedoen, dat het dan zeker weg zou zijn. Maar niets hielp, hij bleef haar van zijn armen trekken en van zijn hoofd (terwijl daar nog maar enkele sprietjes opstonden). Hij werd echt lastig en dat was nooit een goed teken want dan kon het zijn dat hij weer een aanval ging krijgen. Dus gaven we hem een kalmeerpilletje. (geen gewoon hoor, iets speciaals waarvan ik de naam weeral niet meer weet) Na een tijdje viel hij in slaap. De volgende dag wist hij nog dat hij al dat haar had gezien maar toen wist hij ook dat het eigenlijk niet kon. Hij wist dat het waanbeelden waren en toch zag hij ze alsof het echt was. Dat moet toch ongelooflijk eng zijn. Iets zien dat niet kan, denken dat het echt is terwijl je weet dat het niet echt is omdat je weet dat je waanbeelden hebt. Eng. Hij zei zelfs dat hij mij had zien fietsen op het plafond en dat de lamp aan het rondzweven was. Of dat er overal mieren zaten.

Gelukkig zijn die waanbeelden na een paar dagen weg gegaan, dankzij een extra pilletje. Dankzij dat extra pilletje zullen er wel weer nieuwe bijwerkingen geweest zijn. Zo gaat dat. 1 pilletje om iets te voorkomen. 2 pilletjes om de bijwerkingen van dat ene pilletje te verminderen. Enzoverder. Zo kwam het dat hij rond de 30 pillen per dag moest nemen. Plus speciale plakkers en spuiten enzo. Een hele boekhouding. Daarom had ik het ‘pillenschema’ gemaakt. In excel maakte ik per week een tabel waarin alle pilletjes stonden die hij moest nemen. Onderverdeeld in ochtend, middag voor eten, middag tijdens eten, avond, extra. En dan moesten we elke keer aanvinken wat hij had genomen. Dat was wel heel handig. Zelfs de dokter bekeek dat schema dikwijls. Mijn schema. Daar was ik wel een beetje trots op. Maarja, wat heeft het uitgemaakt? Niets.

Oke, ik denk dat ik maar weer eens moet afronden. Deze post is al veel te lang. Sorry 😉 maar het moest er weer eens uit.

My tears are refusing to show up.

Standaard

Wonder o wonder. Weer een redelijk goeie dag vandaag. Waar komen die toch vandaan? Maar ik zal het mij maar niet afvragen of er niet over nadenken. Gewoon verder leven, niet nadenken, niet piekeren. Gewoon lachen en genieten. Of toch proberen te genieten. Want genieten, dat vind ik nog heel moeilijk. Maar ik probeer en dat is al veel vind ik.

Omdat ik mij goed voel dacht ik dat het misschien weer een goed moment is om verder te gaan met ‘mijn verhaal’. Misschien niet, misschien wel. Ik ben er niet helemaal zeker van maar ik doe het gewoon. Niet twijfelen, leven.

7 augustus. De dag waarop het allemaal veranderde. Die dag heb ik al uitgebreid beschreven. Op naar de volgende dagen. 8 augustus was niet zo heel speciaal denk ik. We waren gewoon nog heel bang dat die ‘bibber’ of wat het juist was zou terug komen. De dokter is toen langs geweest. Het eerste bezoek van een lange reeks. Ze wist niet helemaal zeker wat het was maar ze had er een naam op geplakt. Welke het was weet ik al niet meer. Toen kon ik het allemaal goed onthouden en doorvertellen maar ondertussen ben ik al die namen al vergeten. Het was een soort van kortsluiting in zijn hoofd, daar kwam het op neer. Het had weg van epilepsie maar een vele ergere vorm. Het rare was dat zijn arm nog steeds half verlamd was. Maar dat ging misschien nog weggaan. Zijn been was ook nog niet helemaal de oude. Hij kon daar niet echt op steunen. Daarom liep hij enkele dagen met een wandelstok. Vanaf toen is hij pillen beginnen slikken. Pilletjes om die aanvallen te voorkomen en allerlei pilletjes om sterker te worden.Wat er 9 augustus is gebeurd weet ik niet meer, toen zal er niets speciaals gebeurd zijn veronderstel ik.

10 augustus, de verjaardag van mijn oma. Een feestje met de familie. Gaan eten op restaurant. Ik ben toen niet meegegaan want ik stond dus op het speelplein. Papa is daar dus naartoe gegaan met zijn wandelstok. Hij heeft daar mosselen gegeten (één van zijn lievelingsgerechten) en dat lukte nog redelijk goed. Soms had hij wat hulp nodig van mama om iets op te scheppen maar voor de rest was hij toen nog heel zelfstandig.

De dag erna of een paar dagen erna, ik weet het niet meer, toen was er een nieuwe aanval. Nog erger als de vorige. Ik weet er niet veel meer van, niet waar of wanneer, niet hoe het eruit zag, niet wat wij hebben gedaan. Maar er was een aanval. Een aanval waardoor alles erger werd. Zijn arm was nu helemaal lam. Daar was niks of niks meer mee aan te vangen. Nu was de dokter zeker dat het niet meer beter ging worden.

Ik denk dat we één van die dagen beneden een bed hebben geïnstalleerd. Papa geraakte niet meer boven. Dus moest het bed naar beneden. De eerste twee nachten heeft hij alleen beneden geslapen. Maar dat was niet te betrouwen. Wie weet kreeg hij ’s nachts weer een aanval. Wie weet moest hij ’s nachts naar het WC. Dus daarom zat er niets anders op dan een ziekenhuis bed te bestellen. Niet alleen een bed was nodig, ook een rolstoel en krukken. Die krukken dat was in de hoop dat hij misschien nog zelf zou kunnen stappen. Maar die hebben nooit gediend. (enkel ik heb ze gebruikt om eens te testen hoe het is om op krukken te lopen) De rolstoel was papa zijn nieuwe stoel. Daar zat hij heel veel in. De eerste week nog niet constant. Toen konden we hem nog makkelijk verplaatsen naar een andere stoel. Toen kon ik dat zelfs nog in mijn eentje. Maar week na week werd het erger. De volgende weken zijn eigenlijk één grote waas. Ik weet niets precies meer. Ik kan mij enkel herinneren dat papa zieker en zieker werd. Wanneer en hoe hij weer een stap achteruit ging weet ik allemaal niet meer. Maar hij ging achteruit. En snel. Elke dag was er iets anders dat hij niet meer alleen kon. Elke dag werd hij zieker, triestiger, levenlozer, moedelozer, stiller en gewoon minder.

20 augustus. Een dag die ik mij wel nog goed herinner. De verjaardag van papa. De laatste verjaardag. Dat wisten we allemaal. Maar vooral papa besefte dat. Ik weet nog dat ik ’s morgens in mijn bed aan het bedenken was wat ik kon zeggen. Gelukkige verjaardag. Dat past toch niet. Gelukkig, dat is alles behalve wat papa was of wat wij waren. En toch, ik kwam beneden en ik zei: gelukkige verjaardag papa. Met een rare glimlach en er kwam een verdrietige glimlach op papa zijn gezicht. Een paar sms’jes. In sommige stond ook gelukkige verjaardag. Ik zag dat hij er niet mee overweg kon. Een telefoontje van zijn broer. Toen kreeg hij tranen in zijn ogen. Dan ben ik maar weggegaan want ik vond niet dat ik dat gesprek moest horen. Dus ik weet niet wat ze juist hebben gezegd, maar veel zal het niet geweest zijn. Dat was echt een zware dag. Voor ons allemaal. Maar voor papa moet het het zwaarste geweest zijn. Weten dat het je laatste verjaardag ooit is. Weten dat 365 dagen later je gezin zonder jou leeft. Dat ze aan je zullen denken, dat ze aan je verjaardag zullen denken, dat ze je zullen missen. Ik kan mij niet inbeelden hoe dat moet voelen. Het idee dat je dood gaat, dat je familie achterblijft. Dat jij alleen weg gaat. Naar waar? Hoe gaat het voelen? Wat komt erna? Weet je wanneer je sterft? Besef je dat? Zie ik mijn vrouw ooit nog terug? Weet ik dat ik dood ben?

Die vragen doen zoveel pijn. Als ik die bedenk, dan word ik zo triestig. Ik zal nooit of nooit weten hoe papa daarover dacht. Ik zal nooit weten hoe hij zich écht voelde. Hoe hij dacht over doodgaan, hoe hij dacht over wat er na de dood is.. Ik zal het nooit weten en dat doet pijn, dat vergroot die leegte nog meer. Ik vraag mij zo vaak af waarom we daar nooit over hebben gesproken. Het is helemaal niet zoals in de films verlopen. In de films stellen ze zoveel filosofische levensvragen, praten ze uren aan een stuk met de persoon die gaat sterven, zeggen ze lieve woorden, knuffelen ze alsof ze weten dat het de laatste knuffel ooit is. Maar onze realiteit is zo anders. Zo, zo anders. Die laatste maanden waren stom, hard, moeilijk, zwaar, triestig, eindeloos en woordeloos. Nooit hebben we over onze gevoelens gesproken. Nooit. Waarom? Waarom hebben we dat niet gedaan? Soms word ik er boos van maar nu niet. Nu word ik er gewoon triestig van.

Ik weet niet meer hoe slecht het toen al met papa was. Maar ik denk dat het niet veel later écht slecht werd. Ik schrijf hier nu wel ‘écht slecht’. Maar je kan het je niet voorstellen hoe het is tot je het zelf meemaakt met iemand uit je gezin. Zelfs onze familie kon niet snappen hoe het was. Zij kwamen wel op bezoek, ze zagen hoe papa erbij zat, ze zagen dat hij niets meer zelf kon. Maar ze moesten hem niet een hele dag en nacht verzorgen. Dat moesten wij doen. Zij kwamen gewoon op bezoek en namen chocolaatjes mee. Véél chocolaatjes. Die zomer heb ik alle verschillende soorten pralines leren kennen. Er zaten lekkere tussen en hele vieze. De vieze gaven we weg aan het bezoek, de lekkere hielden we voor ’s avonds als het bezoek weg was. Toch nog iets waar we een beetje plezier aan beleefden.

De nachten en de ochtenden waren het ergst. ’s nachts moest papa zo vaak overgeven. We wisselden af wie er bij hem moest slapen. Meestal was het mama, ze wou ons (mij en Jeroen) niet belasten. Maar wij wouden mama ontlasten. Dus mama sliep 3 of 4 keer per week beneden bij papa en de overige dagen ik of Jeroen. Ik schrijf slapen, maar eigenlijk sliep ik niet. Het was bijna letterlijk de wacht houden. Die nachten waren zo vermoeiend, zo eng, zo zwaar. Ik kon niet slapen van de schrik, schrik dat er iets ging gebeuren met papa. En telkens als ik bijna indommelde had papa iets nodig. De nacht-taak was: van 10uur ’s avonds tot 7uur ’s morgens constant papa in het oog houden. Bakjes gaan halen (zo van die niervormige bakjes om in over te geven, zo hadden we er 100-den), bakjes voor papa houden, bakjes weggooien, pilletjes geven, kussen opschudden, laken wegdoen, laken terugleggen, pilletje geven, bed omhoog, bed omlaag, naar het WC gaan (mama halen, in de rolstoel zetten, naar de WC ‘rijden’, op het WC zetten, terug in de rolstoel, terug in zijn bed leggen, mama weer naar boven). De WC avonturen duurden in het begin een kwartier. Maar elke dag werd het erger, elke dag kon papa minder goed meewerken, elke dag moesten we meer gewicht heffen omdat hij nog amper op zijn benen kon staan, elke dag duurde het langer om hem in en uit de rolstoel te heffen. Na twee weken ofzo duurde zo een WC avontuur één uur! Dat was niet meer normaal. Niets was nog normaal. Alles was anders. Heel ons leven werd in de war gestuurd door papa. Alles moesten we aan hem aanpassen. Heel ons huis was omgebouwd. Precies een mini-ziekenhuis. Twee bedden in de living (één ziekenhuis bed en één gewoon bed), een strandstoel (daar zat hij graag in), een zetel die je kon platleggen, een rolstoel, een rollend tafeltje,… En dan nog al onze andere meubels. We konden amper nog in onze kasten, wie in de zetel wou zitten moest over de bedden kruipen. Enkel de rolstoel kon nog net door. Wel maar in één richting, als je terug wou moest je een toertje doen door de gang en terug langs de keuken naar de living. Een doolhof in ons mini-ziekenhuis dus.

Ik zit hier nu te klagen en te zagen over hoe lastig het allemaal voor ons was. Maar dat is omdat ik er niet wil aan denken hoe het voor papa was. Ik wil of kan het mij niet inbeelden. Nooit. Nooit. Nooit.

Tenzij ik dezelfde kanker krijg (en die kans is eigenlijk vrij groot).

Ik denk dat ‘mijn verhaal’ ondertussen al tot eind augustus is verteld. De rest is voor een andere keer. Het word mij weer te veel.