Tagarchief: kanker

BAM! BAM!

Standaard

Het gaat niet goed met mijn moeke. Mijn liefste oma, of moeke zoals wij haar altijd noemen. Ze is al een tijdje aan het sukkelen met haar gezondheid, zoals ze dat zo mooi kunnen zeggen. Maar dat sukkelen begon ons stilaan wel wat meer zorgen te baren. Ook moeke zelf begon zich zorgen te maken. Ze gaat sowieso al regelmatig naar haar huisdokter maar de laatste weken volgden die bezoekjes elkaar steeds sneller en sneller op. Onderzoekje hier en onderzoekje daar.

En eergisteren hadden ze eindelijk een antwoord klaar: darmkanker. BAM! Daar is dat boze woord weer. Het boze woord waarvan ik had gewenst het nooit meer tegen te komen – wat uiteraard een kinderachtige wens was, want kanker is overal – komt plots mijn leven weer binnengestormd.

Het voelt ook als een storm. Ik kan weer niets beginnen tegen het kankermonster. Ik heb het gevoel dat het monster al gewonnen heeft voordat het gevecht zelfs nog maar gestart is. Mijn oma is niet meer van de jongste en ze is het laatste jaar sterk verzwakt (mooie woordspeling trouwens hé).

Mijn mama was nog maar tien minuten terug thuis, ze was met moeke naar het ziekenhuis geweest om nog een scan te laten nemen van haar longen, toen de telefoon plots begon te rinkelen. Mijn hart sloeg een paar slagen over. Mijn mama werd rood en ik zag duidelijk de angst en paniek in haar ogen. Een blik die pijnlijke herinneringen naar boven bracht. Diezelfde blik had ze toen een tante belde om te zeggen dat mijn opa was overleden. Diezelfde blik had ze toen we weer eens slecht nieuws kregen over de gezondheid van mijn papa.

Ze nam haar handtas terwijl ze nog aan het bellen was, mijn mama. Dit is niet goed. Dit is helemaal niet goed, dacht ik. Ik twijfelde wie er aan de lijn was, mijn tante of mijn oma. Blijkbaar was het mijn oma. Haar dokter had haar gebeld om te zeggen dat ze meteen terug naar het ziekenhuis moest. Verschillende klonters in de longen en een longembolie. BAM!

En dan zeggen dat ik deze middag nog gezellig naast moeke zat te babbelen over mijn nieuwe job. Maar in mijn achterhoofd bedacht ik mij terwijl dat dit misschien één van de laatste ‘normale’ babbeltjes kon zijn. In mijn achterhoofd ben ik verschrikkelijk, maar dan ook verschrikkelijk, bang. In mijn achterhoofd heb ik zelfs al een tekstje klaar voor op haar begrafenis.

Ik weet dat ik zo niet mag denken, maar het is sterker als mijzelf. En daarbovenop komt nog eens dat mijn voorgevoel mij op momenten als deze vaak niet in de steek laat. Ik voel die pijn in mijn buik alweer. Ik voel dat het niet goed komt, maar ik wil zo graag geloven dat het wel goed komt. Want mijn moeke is een sterke vrouw, altijd al geweest. En als ik nog maar een sikkepitje van haar sterkte in mij heb, dan zou ik daar al heel fier op zijn.

Laat ik maar gewoon geloven en hopen in de kracht van moeke.

Dream on.

Standaard

Gisteren avond had ik het weer moeilijk. Ik had weer de ‘drang’ om oude sms’jes opnieuw te lezen. En ik weet op voorhand dat ik het moeilijk ga hebben als ik die herlees. En toch doe ik het. Niet zo vaak. Ik denk dat ik ze al een stuk of 4 keer heb herlezen. Maar nu was het dus weer zover.
Ik begon van oud naar nieuw. En ik stuurde elke dag vanuit school een sms’je naar mijn mama om te vragen hoe het met mijn papa was. Als ik nu die sms’en lees, dan krijg ik dat zelfde gevoel van toen. Bang, onzeker, hulpeloos, afwachtend, zenuwachtig, … Elke dag een sms, elke dag ging hij achteruit, elke dag kan ik dat merken aan het sms’je.

Een berichtje dat de tranen deed stromen. 23 september: “Ik zit op mijn knieën bij een leuke man 😉 moeke komt vandaag niet. amuseer u maar met uw nieuwe vriendinnen.”

Eventjes later: “We krijgen papa niet wakker. Tzal nog efkes zijn dus.”

Dit vond ik een ironisch smsje. 10 oktober: “Er zit terug een beetje meer leven in. Hij is al sinds 10 uur wakker en heeft juist vanille pap op. Zegt wel niet veel maar toch iets. Tot straks xxx”   Meer leven… Hoe kan er nu meer leven in zitten, 5 dagen voor dat hij sterft?

14 oktober: “Hij was efkes wakker maar nu al niet meer. kdenk dat hij mij niet eens gezien heeft. twordt dus weer lezen en wachten. kheb uw brownie al bij. tot straks.”

Dat was het laatste sms’je. Het laatste sms’je dat vertelde hoe het met mijn papa was. Toen ik dat gisteren las rolden de tranen en konden ze niet meer stoppen. Het waren geen wilde tranen, het waren eerder rustige tranen. Ik was niet bang of boos of wanhopig of hopeloos of weet ik veel wat. Ik was gewoon een beetje verdrietig. En de tranen stroomden dat verdriet weg. Daarna was ik rustig. Niet uitgeput. Gewoon kalm en nog lichtjes verdrietig.

Het volgende sms’je dat ik nog heb is van een vriendin: “Ik wens je veel sterkte ook voor u mama en broers! Je mag mij altijd bellen!”

Ik weet dat ik daartussen nog een ander berichtje had gekregen, van mijn nicht, dat ze waren toegekomen in de Cirkel (de palliatieve afdeling waar ze zijn dode lichaam kwamen bekijken) maar dat heb ik blijkbaar al verwijderd.

 

Ik zou alle sms’jes eens moeten overschrijven zodat ik ze altijd kan bijhouden. Want als ik voorheb zoals mijn mama, dan ben ik alle sms’en kwijt. Misschien moet ik daar volgende week eens tijd voor maken. Nu eerst nog een weekje werken.

 

21 – Toen mijn mama vertelde dat onze buurman tegen haar had gezegd dat ik nu altijd vriendelijk ‘dag’ zei terwijl ik vroeger altijd zo voorbij fietste. En hij had er blijkbaar ook nog bijgezegd dat ik een mooi meisje ben. Maar hij was wel zat zei mijn mama…

We both know

Standaard

Wat gaat de tijd toch zo ongelooflijk snel… Mijn familie zei het gisteren een aantal keer en het is ook echt zo. Een jaar geleden was het nu echt een verschrikkelijke tijd. Alles was zo onzeker en eng en moeilijk en zwaar en vermoeiend en hard en stom en druk en zenuwslopend en raar en nieuw en triestig en …

Een jaar geleden dus. Een jaar geleden moest mijn papa véél pillen nemen. Daar moest ik daarnet aan terug denken. Het was zo moeilijk om te onthouden wat hij wanneer moest nemen. Dus daarom was ik op het idee gekomen om een pillenschema te maken. Hier is een foto van het pillenschema dat morgen exact 1 jaar oud is. Al die pilletjes, het was om gek van te worden…

Als ik terug denk aan die periode, krijg ik helemaal geen leuk gevoel. Maar het was nu eenmaal zo en er valt niets meer aan te veranderen. Hoeveel pillen hij ook nam, het heeft niets geholpen. Het was allemaal maar om de pijn een klein beetje te verzachten. De ene keer lukte dat, de andere keer niet. Het was met vallen en opstaan. Dat doe ik nu nog steeds. Zo vader, zo dochter.

Happiness hit her like a train on a track

Standaard

Ik heb nood aan een bericht. Een lang bericht vrees ik. Ik moet het allemaal van mij af schrijven.

Het zijn weer moeilijke dagen. Altijd na goeie dagen komen de slechte dagen. Zo is het leven nu eenmaal, dat weet ik. Maar toch zou het leuker zijn als er alleen goeie dagen bestaan.

Ik heb de voorbije 3 nachten gedroomd. Elke nacht een andere droom. En toch ook elke nacht toch ongeveer dezelfde. Het lijkt wel een soort patroon om een misdadiger op te sporen. Ik ben de politie en ik moet onderzoeken wat mijn dromen mij willen vertellen.

Ik zal kort mijn dromen vertellen.

  1. Ik was

Nee… Het lukt niet. Ik zit al 5 minuten aan die eerste zin en ik kan niet verder. Ik vind de woorden niet. Misschien is dat een teken dat het eigenlijk niet echt nodig is om het hier allemaal neer te schrijven. Ik heb die drie dromen al in mijn eigen schriftje geschreven. Misschien is dat wel voldoende.

Ik wil wel over de rest praten. Ik moet toegeven dat ik het raar vind om terug hier op mijn blog te schrijven. Een paar maand geleden kon ik bijna geen dag voorbij gaan zonder hier iets te schrijven. Of toch zeker geen week. Nu voel ik zelden nog die drang om zoveel te schrijven. Ik schrijf nog wel. Maar helemaal niet zoveel meer als een tijdje geleden. Soms twijfel ik of dat nu goed of slecht is. Is het goed omdat dat wil zeggen dat ik een stap verder zit in het verwerkingsproces? Of is dat slecht omdat dat wil zeggen dat ik mijn gevoelens verdring? Of is dat slecht omdat ik soms te lui ben om iets te schrijven. Of is dat goed omdat ik mijn tijd aan andere dingen besteed? (aan welke andere dingen eigenlijk? ik lui-lekker heel de dag door) Ik weet het gewoon niet. Zoals altijd dus.

De reden dat ik hier terug iets schrijf zal al wel duidelijk zijn ondertussen… Het gaat weer minder goed. Slecht zelfs. Of kan ik het gevoel dat ik nu heb niet slecht noemen? Misschien moet ik het gewoon ‘triestig’ noemen.

Ik ben opnieuw triestig. Triestig. Triestig. Triestig. Waarom ben ik triestig? Komt het door die dromen? Komt het omdat het morgen 1 jaar geleden is dat alles erger is geworden met mijn papa? Komt het omdat ik hele dagen thuis zit en niks om handen heb en het enige wat ik dus kan doen nadenken is? Komt het door de combinatie van al die dingen? Waarschijnlijk wel.

Morgen is het 7 augustus. Een dag zoals een ander. Nee. Toch niet.

  1. mijn broer verjaart
  2. we kunnen dat niet vieren aangezien hij zich ergens in Zuid-Amerika op één of ander klein eiland bevind
  3. hij blijft nog 6 maand weg, dus een cadeautje voor hem bewaren heeft ook niet zoveel nut
  4. precies 1 jaar geleden reed ik voor de laatste keer met de auto (voorlopig rijbewijs) naar een markt om een kip (zijn lievelingseten – ondanks dat hij vegetariër is- ) te kopen voor mijn broer zijn verjaardag
  5. precies 1 jaar geleden bakte ik pannenkoeken voor mijn broer zijn verjaardag
  6. precies 1 jaar geleden kreeg mijn papa een soort van epilepsie aanval. De aanval die alles veranderde
  7. precies 1 jaar geleden stortte mijn wereld nog verder in elkaar
  8. precies 1 jaar geleden verloor ik mijn hoop
  9. precies 1 jaar geleden begreep ik dat mijn papa echt ging doodgaan
  10. precies 1 jaar geleden is mijn papa langzaam maar zeker vertrokken naar een andere soort wereld, een wereld waar ik hoop dat hij gelukkig en gezond is

Al deze dingen zullen wel mede oorzaak zijn van mijn triestige gevoel.

————————————————————————————————————————————————————————–

Ondertussen ben ik eventjes TV gaan kijken, ik had nood aan ontspanning. Eventjes weg van al die triestige woorden. En wat ben ik blij dat de TV is uitgevonden! Zelfs al kijk ik maar een halfuurtje naar een programma, toch voel ik mij daarna meestal beter. Ik zeg meestal, want dat is dus niet altijd het geval. Nu heeft het mij een beetje geholpen. Ik heb naar de Premiejagers gekeken. Eén van mijn favoriete programma’s de laatste tijd. Oké, dit heeft eigenlijk totaal geen belang.

Maar het heeft mij weer doen inzien dat triestig zijn maar een fase is. Alles gaat voorbij. Mijn triestige of slechte gevoel ook. Ik zit nu in een dipje of in de put maar wie weet is het morgen beter. En als het morgen niet beter is, dan is het overmorgen misschien beter. En als het overmorgen niet beter is dan is het … Je begrijpt mij wel.

Ik zou terug elke dag iets moeten opschrijven wat mij gelukkig heeft gemaakt. Want ik vond dat eigenlijk wel leuk toen ik dat een paar maand geleden deed. Oké, hier ga ik weer. (ik begin terug van 1 want het is een nieuw begin!)

1 – Ik voelde mij vandaag gelukkig toen mijn mama terug kwam van de winkel en ik haar knuffelde

(ja, ik ben een groot klein kind en daar ben ik blij om 🙂 )

Ik mag de hoop niet opgeven. Ik mag de hoop nooit opgeven. Ik moet en zal doorgaan. Ik weet niet hoe of waar ik nog de kracht vandaan kan halen om verder te strijden tegen het krachtige verdriet. Maar het moet. Ik zal ooit uit de put geraken. Ik sta er niet alleen voor. Dat weet ik. Alleen is het soms moeilijk om daaraan te denken als je je zo verdrietig voelt. Dan is het zelfs moeilijk om je te herinneren hoe gelukkig zijn voelt.

Maar zoals ik al zei. Ik geef niet op. Verhoevens geven niet op. Ik ben fier dat ik de dochter van mijn papa ben. (dat klinkt nogal logisch dat ik de dochter van mijn papa ben, maar toch) En omdat ik zo fier ben wil ik hem ook fier maken door te tonen dat ik niet opgeef.

“Loop met je gezicht in de zon. Dan valt de schaduw achter je. “

Dat moet ik proberen te doen. Dat wil ik proberen te doen. Dat zal ik doen.

En om af te sluiten een mooi liedje. Met zoals altijd, volgens mij toch, een mooie tekst.

Do you feel better?

Standaard

‘Vrolijk’ Pasen allemaal.

Vrolijk… Nee. Niet vrolijk. Gewoon. Een dag zoals een ander. Of toch. Familiefeest. Ik snap eigenlijk niet waarom we dat familieFEEST noemen. Want een feest, dat is het alles behalve. Als het nu een ‘feest’ was met de kant van mijn mama, dan was het nog meegevallen. Maar Pasen ‘vieren’ we altijd met de kant van mijn papa. Dat is zo raar om te zeggen. De kant van mijn papa. Mijn papa is dood. En de rest van zijn familie leeft nog. Behalve zijn papa dan. Mijn opa dus. Vake, zoals we hem noemden. Moeke (mijn oma dus), die noemen we ook nog steeds ‘papa zijn moeke’. Elke keer als ik dat moet uitspreken vind ik dat zo raar, zo anders. Ik zou veel liever niets zeggen dan. Maarja, niets aan te doen. Zo is het leven blijkbaar. Je hoeft niet oud en versleten te zijn om te sterven. Het maakt niets uit of je dapper en sterk bent of dat je de moed nooit opgeeft. Je gaat toch dood. Dat klinkt nu misschien heel erg, maar eigenlijk is het wel zo. Want als mijn papa niet zo sterk was geweest, dan was hij misschien een week of twee vroeger gestorven. Maar wat maken die paar weken uit? Een paar weken op een heel leven maken geen verschil. Toch niet als je daar al half dood ligt. Ik kan mij inbeelden dat het helemaal anders is als je kern gezond bent maar dat je op één of andere manier weet dat je binnen twee weken dood gaat (wat eigenlijk niet kan, het is maar een “wat als?” ding) dat je dan wel verschil kan maken. Dat je dan dingen wilt doen of doet die je al altijd hebt willen doen. Dat je afscheid kan nemen. Dat je je dromen probeert waar te maken. Maar in zo’n geval als mijn papa, dan is dat niet mogelijk. Alhoewel, de eerste maand had hij misschien nog van alles kunnen doen. Maar wat maakt het eigenlijk uit? Je gaat dood, dus je weet het niet eens meer of je dromen zijn uitgekomen of niet. Pff, ik word er niet vrolijker van, door dit allemaal te schrijven.

Ik zal mij maar gewoon gaan klaarmaken voor het nep-familiefeestje. En gewoon zoals altijd op mijn stoel zitten, de anderen bekijken en luisteren naar wat ze zeggen. Af en toe eens een flauw glimlachje of een knikje en dag zeggen. Het is zo voorbij. Alleen wou ik dat mijn tante er niet was. Maarja, ik heb ze nu toch al eens gezien dus het zal wel meevallen zeker? Het moet wel.

Vrolijk Pasen…

My tears are refusing to show up.

Standaard

Wonder o wonder. Weer een redelijk goeie dag vandaag. Waar komen die toch vandaan? Maar ik zal het mij maar niet afvragen of er niet over nadenken. Gewoon verder leven, niet nadenken, niet piekeren. Gewoon lachen en genieten. Of toch proberen te genieten. Want genieten, dat vind ik nog heel moeilijk. Maar ik probeer en dat is al veel vind ik.

Omdat ik mij goed voel dacht ik dat het misschien weer een goed moment is om verder te gaan met ‘mijn verhaal’. Misschien niet, misschien wel. Ik ben er niet helemaal zeker van maar ik doe het gewoon. Niet twijfelen, leven.

7 augustus. De dag waarop het allemaal veranderde. Die dag heb ik al uitgebreid beschreven. Op naar de volgende dagen. 8 augustus was niet zo heel speciaal denk ik. We waren gewoon nog heel bang dat die ‘bibber’ of wat het juist was zou terug komen. De dokter is toen langs geweest. Het eerste bezoek van een lange reeks. Ze wist niet helemaal zeker wat het was maar ze had er een naam op geplakt. Welke het was weet ik al niet meer. Toen kon ik het allemaal goed onthouden en doorvertellen maar ondertussen ben ik al die namen al vergeten. Het was een soort van kortsluiting in zijn hoofd, daar kwam het op neer. Het had weg van epilepsie maar een vele ergere vorm. Het rare was dat zijn arm nog steeds half verlamd was. Maar dat ging misschien nog weggaan. Zijn been was ook nog niet helemaal de oude. Hij kon daar niet echt op steunen. Daarom liep hij enkele dagen met een wandelstok. Vanaf toen is hij pillen beginnen slikken. Pilletjes om die aanvallen te voorkomen en allerlei pilletjes om sterker te worden.Wat er 9 augustus is gebeurd weet ik niet meer, toen zal er niets speciaals gebeurd zijn veronderstel ik.

10 augustus, de verjaardag van mijn oma. Een feestje met de familie. Gaan eten op restaurant. Ik ben toen niet meegegaan want ik stond dus op het speelplein. Papa is daar dus naartoe gegaan met zijn wandelstok. Hij heeft daar mosselen gegeten (één van zijn lievelingsgerechten) en dat lukte nog redelijk goed. Soms had hij wat hulp nodig van mama om iets op te scheppen maar voor de rest was hij toen nog heel zelfstandig.

De dag erna of een paar dagen erna, ik weet het niet meer, toen was er een nieuwe aanval. Nog erger als de vorige. Ik weet er niet veel meer van, niet waar of wanneer, niet hoe het eruit zag, niet wat wij hebben gedaan. Maar er was een aanval. Een aanval waardoor alles erger werd. Zijn arm was nu helemaal lam. Daar was niks of niks meer mee aan te vangen. Nu was de dokter zeker dat het niet meer beter ging worden.

Ik denk dat we één van die dagen beneden een bed hebben geïnstalleerd. Papa geraakte niet meer boven. Dus moest het bed naar beneden. De eerste twee nachten heeft hij alleen beneden geslapen. Maar dat was niet te betrouwen. Wie weet kreeg hij ’s nachts weer een aanval. Wie weet moest hij ’s nachts naar het WC. Dus daarom zat er niets anders op dan een ziekenhuis bed te bestellen. Niet alleen een bed was nodig, ook een rolstoel en krukken. Die krukken dat was in de hoop dat hij misschien nog zelf zou kunnen stappen. Maar die hebben nooit gediend. (enkel ik heb ze gebruikt om eens te testen hoe het is om op krukken te lopen) De rolstoel was papa zijn nieuwe stoel. Daar zat hij heel veel in. De eerste week nog niet constant. Toen konden we hem nog makkelijk verplaatsen naar een andere stoel. Toen kon ik dat zelfs nog in mijn eentje. Maar week na week werd het erger. De volgende weken zijn eigenlijk één grote waas. Ik weet niets precies meer. Ik kan mij enkel herinneren dat papa zieker en zieker werd. Wanneer en hoe hij weer een stap achteruit ging weet ik allemaal niet meer. Maar hij ging achteruit. En snel. Elke dag was er iets anders dat hij niet meer alleen kon. Elke dag werd hij zieker, triestiger, levenlozer, moedelozer, stiller en gewoon minder.

20 augustus. Een dag die ik mij wel nog goed herinner. De verjaardag van papa. De laatste verjaardag. Dat wisten we allemaal. Maar vooral papa besefte dat. Ik weet nog dat ik ’s morgens in mijn bed aan het bedenken was wat ik kon zeggen. Gelukkige verjaardag. Dat past toch niet. Gelukkig, dat is alles behalve wat papa was of wat wij waren. En toch, ik kwam beneden en ik zei: gelukkige verjaardag papa. Met een rare glimlach en er kwam een verdrietige glimlach op papa zijn gezicht. Een paar sms’jes. In sommige stond ook gelukkige verjaardag. Ik zag dat hij er niet mee overweg kon. Een telefoontje van zijn broer. Toen kreeg hij tranen in zijn ogen. Dan ben ik maar weggegaan want ik vond niet dat ik dat gesprek moest horen. Dus ik weet niet wat ze juist hebben gezegd, maar veel zal het niet geweest zijn. Dat was echt een zware dag. Voor ons allemaal. Maar voor papa moet het het zwaarste geweest zijn. Weten dat het je laatste verjaardag ooit is. Weten dat 365 dagen later je gezin zonder jou leeft. Dat ze aan je zullen denken, dat ze aan je verjaardag zullen denken, dat ze je zullen missen. Ik kan mij niet inbeelden hoe dat moet voelen. Het idee dat je dood gaat, dat je familie achterblijft. Dat jij alleen weg gaat. Naar waar? Hoe gaat het voelen? Wat komt erna? Weet je wanneer je sterft? Besef je dat? Zie ik mijn vrouw ooit nog terug? Weet ik dat ik dood ben?

Die vragen doen zoveel pijn. Als ik die bedenk, dan word ik zo triestig. Ik zal nooit of nooit weten hoe papa daarover dacht. Ik zal nooit weten hoe hij zich écht voelde. Hoe hij dacht over doodgaan, hoe hij dacht over wat er na de dood is.. Ik zal het nooit weten en dat doet pijn, dat vergroot die leegte nog meer. Ik vraag mij zo vaak af waarom we daar nooit over hebben gesproken. Het is helemaal niet zoals in de films verlopen. In de films stellen ze zoveel filosofische levensvragen, praten ze uren aan een stuk met de persoon die gaat sterven, zeggen ze lieve woorden, knuffelen ze alsof ze weten dat het de laatste knuffel ooit is. Maar onze realiteit is zo anders. Zo, zo anders. Die laatste maanden waren stom, hard, moeilijk, zwaar, triestig, eindeloos en woordeloos. Nooit hebben we over onze gevoelens gesproken. Nooit. Waarom? Waarom hebben we dat niet gedaan? Soms word ik er boos van maar nu niet. Nu word ik er gewoon triestig van.

Ik weet niet meer hoe slecht het toen al met papa was. Maar ik denk dat het niet veel later écht slecht werd. Ik schrijf hier nu wel ‘écht slecht’. Maar je kan het je niet voorstellen hoe het is tot je het zelf meemaakt met iemand uit je gezin. Zelfs onze familie kon niet snappen hoe het was. Zij kwamen wel op bezoek, ze zagen hoe papa erbij zat, ze zagen dat hij niets meer zelf kon. Maar ze moesten hem niet een hele dag en nacht verzorgen. Dat moesten wij doen. Zij kwamen gewoon op bezoek en namen chocolaatjes mee. Véél chocolaatjes. Die zomer heb ik alle verschillende soorten pralines leren kennen. Er zaten lekkere tussen en hele vieze. De vieze gaven we weg aan het bezoek, de lekkere hielden we voor ’s avonds als het bezoek weg was. Toch nog iets waar we een beetje plezier aan beleefden.

De nachten en de ochtenden waren het ergst. ’s nachts moest papa zo vaak overgeven. We wisselden af wie er bij hem moest slapen. Meestal was het mama, ze wou ons (mij en Jeroen) niet belasten. Maar wij wouden mama ontlasten. Dus mama sliep 3 of 4 keer per week beneden bij papa en de overige dagen ik of Jeroen. Ik schrijf slapen, maar eigenlijk sliep ik niet. Het was bijna letterlijk de wacht houden. Die nachten waren zo vermoeiend, zo eng, zo zwaar. Ik kon niet slapen van de schrik, schrik dat er iets ging gebeuren met papa. En telkens als ik bijna indommelde had papa iets nodig. De nacht-taak was: van 10uur ’s avonds tot 7uur ’s morgens constant papa in het oog houden. Bakjes gaan halen (zo van die niervormige bakjes om in over te geven, zo hadden we er 100-den), bakjes voor papa houden, bakjes weggooien, pilletjes geven, kussen opschudden, laken wegdoen, laken terugleggen, pilletje geven, bed omhoog, bed omlaag, naar het WC gaan (mama halen, in de rolstoel zetten, naar de WC ‘rijden’, op het WC zetten, terug in de rolstoel, terug in zijn bed leggen, mama weer naar boven). De WC avonturen duurden in het begin een kwartier. Maar elke dag werd het erger, elke dag kon papa minder goed meewerken, elke dag moesten we meer gewicht heffen omdat hij nog amper op zijn benen kon staan, elke dag duurde het langer om hem in en uit de rolstoel te heffen. Na twee weken ofzo duurde zo een WC avontuur één uur! Dat was niet meer normaal. Niets was nog normaal. Alles was anders. Heel ons leven werd in de war gestuurd door papa. Alles moesten we aan hem aanpassen. Heel ons huis was omgebouwd. Precies een mini-ziekenhuis. Twee bedden in de living (één ziekenhuis bed en één gewoon bed), een strandstoel (daar zat hij graag in), een zetel die je kon platleggen, een rolstoel, een rollend tafeltje,… En dan nog al onze andere meubels. We konden amper nog in onze kasten, wie in de zetel wou zitten moest over de bedden kruipen. Enkel de rolstoel kon nog net door. Wel maar in één richting, als je terug wou moest je een toertje doen door de gang en terug langs de keuken naar de living. Een doolhof in ons mini-ziekenhuis dus.

Ik zit hier nu te klagen en te zagen over hoe lastig het allemaal voor ons was. Maar dat is omdat ik er niet wil aan denken hoe het voor papa was. Ik wil of kan het mij niet inbeelden. Nooit. Nooit. Nooit.

Tenzij ik dezelfde kanker krijg (en die kans is eigenlijk vrij groot).

Ik denk dat ‘mijn verhaal’ ondertussen al tot eind augustus is verteld. De rest is voor een andere keer. Het word mij weer te veel.

She dreams of paradise

Standaard

Oké, ik heb nog zin om verder te schrijven. Ik weet niet hoe het komt maar plots wil ik het allemaal opschrijven.

Ik weet niet meer wanneer we juist zijn terug gekomen van die vakantie in Frankrijk. Maar ik denk dat dat eind juli was. Wat we de volgende week of weken hebben gedaan weet ik helemaal niet meer. Hoe ik mij toen voelde weet ik ook helemaal niet meer. Ik weet dat ik twee weken op het speelplein heb gestaan. Blijkbaar van 8 augustus tot 18 augustus. Dus de 7de was het dan al vergadering voor het speelplein. Raar. Ik ben helemaal in de war nu. Ik zal vertellen hoe het komt.

7 augustus is de dag waarop het allemaal begon. 7 augustus, de verjaardag van Jeroen. Ik dacht dat ik die ochtend nog ben gaan rijden. Ik kon toen al enkele dagen rijden en wou eens tonen aan papa wat ik ondertussen al kon. Want hij had mij de eerste les gegeven, maar dat was niet goed verlopen want ik vond dat hij het niet goed uitlegde. Dus had Pieter de uitleg verder gedaan. Daarna heb ik een paar dagen samen met mama gereden en ondertussen kon ik het al een klein klein beetje. Ik deed wel nog steeds in mijn broek van de schrik (niet letterlijk!). Maar ik wou toch tonen aan papa watt ik al kon. We zijn toen kip gaan kopen op de markt. Op de terug weg panikeerde ik en ben ik uitgestapt. Mama heeft toen verder gereden. ’s middags hebben we die kip opgegeten, voor Jeroen zijn verjaardag dus. De frietjes waren blijkbaar op dus heeft papa zelf nog frietjes met de hand geschreven. Wat ik hier nu allemaal schrijf lijkt zo stom, maar eigenlijk is het heel speciaal. ’s avonds heb ik pannenkoeken gebakken voor Jeroen. Terwijl ik die aan het bakken was kwam papa in de keuken en toonde hij aan mij en mama dat zijn hand en zijn arm zo raar deed, die bibberde en schokte. Hij was in paniek, dat zag ik. Die angst in zijn ogen was zo groot. Hij was zich aan het opjagen. Mama zei dat hij moest gaan liggen maar hij wou niet luisteren. Hij bleef rondlopen. Na een paar minuten stopte dat bibberen. De pannenkoeken waren klaar. We gingen aan tafel en we (ik alleen eigenlijk) zongen ‘happy birthday’ voor Jeroen. Een paar minuten later panikeerde papa helemaal. Zijn hoofd begon te schokken. Dat was echt heel vies om te zien. Hij kon nog gemakkelijk spreken en van alles doen, maar dat was echt een vies zicht. En hij had ook veel schrik, dat zag ik duidelijk. Maar het enige wat hij deed was mij gerust stellen. Nu ging hij wel op het zetelbed liggen. Hij zei dat ik niet moest kijken als ik dat vies vond, dat het niet erg was, dat het wel zou stoppen. Dat was ook zo, een paar minuten later was dat schokken weer voorbij. Oef. Alles weer normaal.

Tot dat ene moment. Mama zat in de zetel, op haar vaste plaats, in het hoekje. Papa zat naast haar. Samen zaten ze naar Het Nieuws te kijken, zoals elke avond. Tot er ineens veel paniek was. Dat was echt zo raar. Plots gebeurde er zoveel tegelijk. Ik zat aan de PC en ik stond onmiddellijk recht. Ik zag meteen dat dit niet goed was. Niet goed, heel slecht zelfs. Papa zijn rechter hand stond helemaal gespannen, heel heel vies. Een soort spastische trek leek het wel. Heel zijn lichaam was aan het schokken. Zijn ogen op die moment zal ik nooit of nooit vergeten. Zoveel paniek en angst in zijn ogen. Zo, zo, zo bang. Mama stond daar maar. Ik stond daar ook maar. Na enkele seconden schoot ik pas in actie. Papa was half aan het roepen: “Het doet pijn, pijn, auw, auw. Belt den ambulance. Bel. Pijn..” En zijn hoofd, armen en benen bleven maar schokken en die vieze, vreselijke kramp in zijn hand bleef maar duren. Dat knikkende hoofd, die stuiptrekkingen in zijn been,… Ik zie het zo voor mij. Afschuwelijk eng en vies. Ik probeerde papa te kalmeren. Meer kon ik niet doen. “Rustig papa, rustig. Rustig papa, papa…” Mama probeerde een kussen in zijn hand te steken. “Wat moet ik doen? Wat moet ik doen? Belt de jongens!” zei mama. Ik belde en ze kwamen heel snel de trap af. Blijkbaar voelden ze aan ofzo dat er iets niet pluis was. Ik stond dan met de gsm in mijn hand om de ziekenwagen te bellen want papa bleef maar zeggen dat ik den ambulance moest bellen.. Ik wist de nummer niet eens. Jeroen en Pieter stonden daar. Ze wisten niet wat er gebeurde. Mama zocht de telefoon nummer van de huisdokter. Ze belde maar die nam niet op. Dan zocht ze de nummer van de palliatieve afdeling (die waren al een keertje thuis langs geweest en hadden gezegd dat we altijd mochten bellen als er iets was). Die namen ook al niet op. Niemand nam op. Mama was helemaal in paniek. Ik probeerde papa nog steeds te kalmeren. Ik aaide over zijn gezicht. “Rustig papa, het komt goed. Rustig.” Mama zei dat het waarschijnlijk epilepsie was. Jeroen ging boven op zijn PC snel opzoeken wat we moesten doen bij zo’n aanval. Pieter zocht beneden op de PC op. Ik kalmeerde papa nog steeds. Mama probeerde nog steeds te bellen. Papa lag daar nog steeds te schokken met zoveel angst en pijn in zijn ogen. “Op zijn zij leggen.” zei Pieter. Jeroen kwam ook naar beneden. We probeerden alle drie te samen hem op zijn zij te leggen. Dat was zo moeilijk door al die schokken. Maar het lukte. Jeroen was al heel de tijd aan het wenen.. De schokken leken te minderen. Die vieze kramp in zijn hand begon te verslappen. Ik probeerde zoveel mogelijk kussens achter papa zijn zij te leggen maar hij bleef steeds terug op zijn rug rollen. Dus ging op mijn knieën achter hem zitten om hem te ondersteunen. Eindelijk nam de mevrouw van de palliatieve afdeling op. Mama legde paniekerig de situatie uit. Een pilletje moesten we hem geven, iets om te kalmeren. Alle pillen die die vrouw opnoemde hadden we niet in huis. Toen kwam Pieter met één van zijn pillen af en die hielp ook zei de vrouw. De naam van die pil weet ik al niet meer, terwijl papa die nog zo vaak heeft moeten nemen. Maar dat maakt nu niet uit eigenlijk. Papa begon eindelijk terug ‘normaal’ te worden. De schokken waren helemaal verdwenen. Hij lag terug rustig. Maar hij was nog steeds heel bang. Dat zag ik zooo duidelijk. Nog nooit had ik mijn sterke, dappere papa zo bang gezien. We moesten papa in zijn bed leggen. Pieter moest terug naar de instelling, dus Jeroen bracht hem weg (iets wat hij anders NOOIT zou doen). Mama bleef boven naast papa liggen, tot dat hij gekalmeerd was. Maar hij was nog steeds bang dat die schokken gingen terug komen. Waar hij nog het meeste schrik van had was dat zijn arm lam was geworden. Vanaf het moment dat die schokken en die kramp gedaan was, had hij totaal geen gevoel meer in zijn arm. Hij kon er niets of niets mee doen. Dat vond hij zo erg en eng. Hij bleef maar zeggen: “mijn arm, mijn arm, ik voel niets, da’s lam,…” Maar ik probeerde hem gerust te stellen. Het zou wel goed komen zei ik, het is niet erg. Daarna zocht ik een manier waarop papa kon laten weten dat er iets was, terwijl dat ik en mama beneden zaten. Ik vond een oude speelgoedbel van mij. Die heb ik naast zijn bed gelegd. Daar kon hij op drukken als er iets was, en dan konden wij meteen naar boven gaan.

Maar het was niet nodig, het was een rustige, normale nacht. De volgende ochtend had hij al een klein beetje meer gevoel in zijn arm. Nog helemaal niet veel, maar al iets meer. Dus er was hoop dat het terug goed zou komen.

Wat ik dus helemaal niet meer wist was dat ik de volgende ochtend speelplein had. Blijkbaar is dat onbelangrijk detail uit mijn geheugen gewist.

 

Oké, nu ben ik uitgeput van dit hier allemaal te vertellen. Nu is het echt genoeg voor vandaag.

 

A part of me is gone

Standaard

Rare dag. Eerst vrolijk, dan heel verdrietig, dan weer vrolijk, nu misselijk.

Ik heb geen zin om over de leuke dingen te schrijven (raar maar waar). Ik denk dat het beter is om mijn slechte gevoel van mij af te schrijven, dat lucht misschien op.

Doordat ik gisteren over de laatste twee jaar van mijn papa heb geschreven kwamen al die herinneringen weer heel sterk terug. De slechte herinneringen. De niet leuke, zieke, herinneringen. Zoals ik al schreef was het begin (het eerste jaar en half) nog niet zó erg. Toch niet als ik het vergelijk met de laatste 2, 3 maand. Dus doordat ik daarover heb geschreven voelde ik dat het nodig is om ook die laatste maanden eens te beschrijven. Dus ik zal het proberen. Ik weet niet zeker dat het mij zal lukken omdat ik het echt heel moeilijk vind om daaraan terug te denken. Deze ochtend tijdens de les sprak ik er met een vriendin over en toen begon ik al te wenen. Dus nu zal ik het sowieso ook moeilijk krijgen. Maar ik wil het proberen.

Ik zal proberen om het een beetje chronologisch te houden. Dus daarom begin ik bij het begin (logisch 😉 😉 😉 )

Maar ik kan het toch niet altijd blijven negeren? Binnenkort is het al de begrafenis! Ik kan het mij echt niet voorstellen. In mijn verbeelding zit mijn papa gewoon naast mij om mij te troosten maar dat kan gewoon niet want het is zijn begrafenis! Misschien is het nog vroeg om daar over na te denken maar langs de andere kant is het echt niet zo lang meer hé. Een paar maand. Hoelang is dat eigenlijk? Een paar maand? Er zijn al 20 dagen voorbij sinds die paar maand begonnen. Dat is al bijna een maand. Strikt gezien is een paar maand twee maand. Dus dan heeft hij nog maar 42 dagen ofzo te leven. Dat kan toch niet! Dat is zo kort! Wat kan een mens nu nog doen in 42 dagen? Binnen 42 dagen is het nog vakantie dan moet het school zelfs nog beginnen, ik denk dat dan zelfs mijn 2 weken op het speelplein nog moeten beginnen. Nee, 42 dagen kan echt niet. Ik wil dat hij nog minstens een jaar leeft maar een jaar is veel meer als een paar maanden. Dus eigenlijk zou hij zeker al tegen kerstmis dood moeten zijn, dat kan toch echt niet! Dat kan ik mij echt echt niet voorstellen. Alles wat ik mij bedenk, daar staat mijn papa bij.

Dit heb ik 29 juni geschreven. Toen wist ik al 20 dagen dat mijn papa ging doodgaan. Ik was toen van plan om elke dag of elke week iets te schrijven, maar dat is de enige keer dat ik dat gedaan heb. De volgende keer dat ik iets geschreven heb was de tekst die ik op de begrafenis heb voorgelezen. Nu heb ik daar wel spijt van dat ik niet elke dag, al was het maar heel kort, iets heb geschreven. Want daardoor zou ik het mij nu allemaal veel beter kunnen herinneren. Nu is meer als de helft een vaag, verwarrend beeld.

Begin juli ben ik op monitorcursus geweest. Eerst had ik totaal geen zin meer om daar naartoe te gaan, maar ik ben toch maar gegaan omdat ik dan weg kon zijn van de rare en moeilijke situatie thuis. Dat was makkelijker. Toen ik daar was, op die cursus, heb ik mij soms wel kunnen amuseren maar meer als de helft van de tijd zat ik met mijn papa in mijn hoofd. Ik heb toen veel gedanst (ik weet nog goed dat er veel mensen waren die mij raar vonden :p maar dat kon mij niet schelen) om mijn zinnen te verzetten. Maar dat hielp niet. Niets hielp. Mijn papa ging nog steeds doodgaan, hoeveel ik ook danste.

Terwijl ik die cursus volgde, zijn mijn ouders ook op vakantie gegaan, naar waar weet ik al niet eens meer… Maar ze hebben ervan genoten, dat weet ik wel nog. Ik hoop dat ze toen veel gepraat hebben over wat er allemaal ging komen, over wat ons te wachten stond. Maar dat weet ik niet.

Na die cursus zijn we allemaal (ik, mijn twee broers, mama én papa) op vakantie naar Frankrijk geweest. Onze laatste vakantie. Voor altijd. Dat is echt zo raar, dat idee dat je op vakantie vertrekt en dat je weet dat dat voor de laatste keer met papa erbij is. Het was een mooie vakantie, misschien te mooi en te gezellig. Want we deden allemaal alsof er niets aan de hand was. Alsof we niet wisten dat papa ging sterven. Alsof we één gelukkige, toffe familie waren die genoten van hun vakantie. Tot op één avond. De avond die ik nooit zal vergeten. We zaten op restaurant en we waren aan het bespreken wat we de volgende dag gingen doen. Mijn broer, Pieter, had in niets zin, hij zei dat het allemaal stomme dingen waren. Hij zei dat we deden alsof er niets is terwijl we allemaal wisten wat er was. Hij was kwaad. We zijn vertrokken uit het restaurant, we reden naar ons huisje. In de auto was Jeroen aan het wenen, dat zag ik. Maar iets zeggen deed ik natuurlijk weer niet. Toen we terug in het huisje waren vroeg mama wat Pieter dan wou. Praten zei hij. Praten hebben we gedaan. Ik kan mij nog perfect voorstellen hoe we daar zaten. Ik zat in de hoek van de zetel, Pieter naast mij, mama in de zetel ernaast, papa daarnaast en Jeroen op een stoel voor mij. We hebben gepraat en vooral veel geweend. Iedereen, behalve papa. Hoe dat kan snap ik nog altijd niet. Ik heb daar zo hard en zo luid zitten wenen terwijl mijn papa geen traantje heeft weggepinkt. Hij heeft mij niet eens getroost. Hij zat daar en wou alles weten. Hij wou weten wat er van ons terecht ging komen. Wat we wouden in ons leven, hoe we de toekomst zagen. Bij mij was dat duidelijk, zei hij meteen. Huisje, tuintje, boompje, kindje. Inderdaad. Niet moeilijk dus bij mij. Bij Jeroen was het onduidelijk maar toch wist papa dat het ook met Jeroen allemaal goed ging komen. Ondanks dat ze de jaren ervoor nooit overeen kwamen, altijd ruzie, zelden of nooit gewoon praten. Jeroen is net zoals papa. Een avonturier die niet weet wat hij wil en die toch vastberaden is en opkomt voor zijn ideeën. Dat kon papa toen precies wel aanvaarden, dat hij niet exact wist wat Jeroen wou, maar hij wist dat hij wel op zijn pootjes terecht zou komen. Nu komen we bij het ‘probleem kind’. Pieter. Studeert niet, is half gek, doet niks, wilt niks, … Geen toekomst, dat dacht papa alleszins. Weer ruzie. Hij moest écht weten wat Pieter wou aanvangen met zijn leven. Na uren praten wisten we nog niets meer. Als Pieter het niet eens wist, hoe konden wij het dan weten? Niet.

Toen vroeg mama of we nog vragen hadden. Pieter vroeg wat het ging worden. Cremeren of begraven. Papa wou crematie. Crematie is het geworden. Papa wou een mis in de kerk. Mama niet. Een mis in de kerk is het geworden. Mama vroeg hoe het op het einde moest. Ik weet nog letterlijk wat ze zei: “Wat als het op het einde echt nimeer gaat, als ge niks meer kunt? Dat heb ik u nog ni eens gevraagd.” Papa wou niet echt antwoorden, dat merkte ik. Hij zei: “Dat kiest ge dan zelf maar, ik zal het toch niet meer weten. Dat maakt mij niet uit.” Mama vroeg nog of hij geen papier wou tekenen waarop stond dat wij mochten beslissen dat hij een soort medicijn, of weet ik veel wat, kreeg als hij écht niets meer zou kunnen, als hij dus op sterven lag. Maar dat wou hij niet. Dus dat document is er ook nooit gekomen.

Na véél wenen, één grote dikke knuffel van Jeroen, veel zwijgen van mijn kant (ik heb toen amper 5 zinnen gezegd, heel die avond lang) vroeg ik of ik mocht gaan slapen. Slapen heb ik gedaan, na eerst nog lang wenen in mijn bed. Die ene avond was echt zo hard en zo moeilijk.. Als ik eraan terug denk doet dat zo’n pijn. Hoe we er de volgende ochtend uitzagen hoef ik niet te zeggen. (lelijk dus 😉 )

De rest van die vakantie hebben we weer gedaan alsof er niets aan de hand was. Maar voor mij leek het dat alles was gezegd. Natuurlijk had ik nog wel veel vragen (want ik had er geen enkele gesteld) maar het belangrijkste was gezegd. Papa zijn vragen waren min of meer beantwoord. Dat vond ik belangrijk. Maar ik vond het belangrijker om mij te amuseren. Dat heb ik gedaan, toch een heel klein beetje. Want natuurlijk was het geen echte vakantie. Natuurlijk was er een hele rare sfeer. Natuurlijk dachten we er constant aan dat dat de laatste vakantie ooit met ons vijven was. Natuurlijk was het bang afwachten wanneer papa echt ziek zou worden. Maar die moment kwam er maar niet. Soms dacht ik dat ze fout waren geweest in het ziekenhuis. Mijn papa had niks, hij was gezond. Hoe kon hij nu binnen enkele maanden doodgaan als hij er nu nog zo gezond uitzag?

De vakantie was afgelopen, de laatste vakantie. Terug thuis werd die vreemde sfeer enkel erger. De rest vertel ik een andere keer. Want het is te moeilijk.

I’ve seen enough, that’s why I know God left this place long time ago.

Standaard

Ik wil het over vroeger hebben. Vroeger en toch nog helemaal niet zo lang geleden. En toch lijkt het al een ver verleden (Clouseau…)

De avond waarop mijn papa belde naar de dokter om te weten wat er was, waren we naar Mijn Restaurant aan het kijken. Ik weet het nog goed. Waarom hij eigenlijk naar de dokter was gegaan weet ik niet 100% zeker meer, alhoewel, nu ik erover nadenk. Dat was toen met zijn ‘dikke arm’. Al een maand ofzo had hij een opgezwollen arm, vanaf zijn elleboog was hij dik en voelde hij raar aan. Hij was wel 20 keer naar de dokter geweest, ziekenhuis,huidarts,… nergens vonden ze wat het was. Hij is zelfs een maand naar de kinesist geweest om daar een soort van massage te krijgen. Maar toen, die ene avond, wisten ze eindelijk wat het was. KANKER. Het boze woord was terug. Na 10 jaar. Ik weet nog perfect welke beelden er op TV voorbijflitsen. Ik weet nog dat ik overal kippenvel kreeg. Maar iets zeggen deed ik niet. Papa gaf nog een beetje meer uitleg maar veel viel er nog niet te zeggen want het was zogezegd nog niet helemaal zeker dat het wel degelijk kanker was. Maar ik was wel overtuigd. Wij allemaal eigenlijk, maar dat zeggen deed niemand natuurlijk.

Die avond was het begin van de lange, harde, moeilijke kanker-weg. Véél uitzaaiingen, véél chemo, véél bestralingen, véél operaties, véél slecht nieuws. En telkens hadden we nog goede hoop. Elke keer kregen we te horen dat het na die ene chemo in bedwang werd gehouden of misschien zelfs weg zou zijn. Alhoewel, over dat weg zijn, dat zeiden ze enkel de eerste maanden. Want zo was het, enkele maanden slecht, enkele maanden goed, te goed blijkbaar want dan werd alles weer slechter. En slechter en slechter en slechter. En toch dachten we elke keer dat het niet slechter kon (dat dacht ik toch). En toch werd het élke keer slechter. Waarom? Dat weet niemand. Dat zal niemand ooit weten, dus daar probeer ik mij niet druk in te maken.

De verschillende operaties die mijn papa heeft ondergaan:

  1. een stuk van de dunne darm (of was het de dikke? geen idee meer van eigenlijk) weggenomen
  2. een hersenoperatie (wat ze hebben weggenomen: geen idee, blijkbaar was het niet de tumor want die was nadien zomaar terug)

Oké, ik dacht dat het meer als 2 operaties waren. Blijkbaar ben ik fout ofwel ben ik er ééntje vergeten ofzo maar nu het hier zo staat lijkt dat zo weinig terwijl het toen allemaal zo veel leek. Het maakt eigenlijk niet zoveel uit.

Het komt er gewoon op neer dat de laatste 2 jaar van mijn papa ‘ziekenhuisjaren’ waren. 2 zomers lang in het ziekenhuis. Alhoewel, de laatste zomer was maar de helft van de zomer in het ‘nepziekenhuis’. De Cirkel, de palliatieve afdeling. Palliatief, dat is toch een véél te mooi woord om zoiets engs uit te drukken. Een afdeling in het ziekenhuis waar je SOWIESO dood gaat. Niemand die daar terecht komt gaat daar gezond weg. Iedereen die daar binnenkomt wordt dood weggevoerd.

Die laatste 2 jaar heb ik eigenlijk nooit beseft dat mijn papa écht weg zou gaan, écht dood zou gaan, écht voor altijd en altijd foetsjie. Soms bedacht ik mij wel dat het niet goed zou aflopen. En altijd dacht ik dat ik dat eigenlijk al lang aanvaard had, dat hij dood zou gaan. En omdat ik dat dacht, dacht ik er verder niet zoveel over na. Ik had het moeilijk, ja, maar hélemaal niet zo moeilijk als nu. In vergelijking met nu was dat toen niets.

Over de laatste 3 maand kan ik een heel boek schrijven maar dat ga ik nu niet doen. Misschien een andere keer. Nu zal ik het op een korte samenvatting houden.

De dag dat ik mijn tweede examen moest leren las ik een mail van mijn mama waaruit ik kon afleiden dat papa dood ging gaan. Snel. De dag daarna kwamen mama en papa thuis van het ziekenhuis (dat rijmt!) en toen wist ik het dus eigenlijk al allemaal. Maar ik had dat tegen niemand gezegd, zo ben ik hé. Mama vertelde het. Mama weende. Papa weende. Ik weende. Echt in die volgorde. Mama troostte mij, ik troostte mama en papa troostte mij. En nu ik dit typ vraag ik mij af wie papa troostte. Niemand! Als ik daaraan denk hoe mijn papa zich gevoeld moet hebben, al die maanden, al die tegenslagen, al die pijn, al die angsten, alle zorgen, alle frustraties, zoveel dat ik niet eens weet omdat we er nooit of nooit over hebben gesproken… Spijt, inderdaad. Spijt: te laat.

Wat ik altijd al had gedacht was dus werkelijkheid geworden: mijn papa ging doodgaan (ja, iedereen gaat dood maar niet iedereen op deze manier). En wat deed ik? Natuurlijk weer niets. Niets of niets. Ik heb het niet beseft wat er mij te wachten stond. Vooral de eerste maand deed ik niets speciaals. Ik deed alle dingen die ik ervoor deed, er was niets veranderd. Pas toen we voor de laatste keer op vakantie gingen met ons vijf, toen kwam er een soort van klik. Ik dacht dan toen toch, als ik nu op die momenten terugblik was er eigenlijk niet echt een klik. Ik begon mij wel meer en meer te realiseren dat mijn papa ging doodgaan. Maar die hoop blijft er toch altijd ergens. Ergens diep vanbinnen blijft er altijd hoop, zelfs op de slechtste momenten. Zelfs de laatste dagen van zijn leven was er ergens heel ver weg nog een tikkeltje hoop, heel klein, maar het was er. Tevergeefs.

Na die vakantie werd alles stilaan slechter. Want dat was het rare, tijdens die vakantie, of ervoor, konden we amper merken dat papa ziek was. Hij had minder uithoudingsvermogen maar veel meer was er niet veranderd. In zijn gedachten en denken misschien, maar fysiek niet. Pas op de avond van de verjaardag van mijn broer (7 augustus) begon het allemaal écht. Ik wil nu niet alles daarover vertellen want als ik aan deze ‘fase’ begin, dan volgt er nog een hele stroom woorden en waarschijnlijk ook tranen. Dus dat hou ik echt voor een andere keer. SPANNEND! (niet dus)

& ze leefden niet meer, zeker niet lang en gelukkig.