Tagarchief: moeilijk

De dood is mijn leven

Standaard

Soms, heel soms, of eigenlijk wat vaker als heel soms, heb ik het gevoel als het allemaal nog maar pas gebeurd is. Dat mijn papa nog maar net gestorven is. Dat er nog geen 3 jaar voorbij is maar 3 uur. En dat ik zijn armen dan weer zo graag om mij heen wil voelen.

De laatste maand ben ik er weer veel meer mee bezig. De dood van mijn papa is haast mijn leven. Het is niet zo extreem als in de beginperiode, maar toch weer veel meer dan deze zomer bijvoorbeeld.

Hebben de donkere dagen er iets mee te maken? Of de feestperiode nog? Of is het omdat ik weer wat meer in aanraking kom met mensen die hebben meegemaakt wat ik heb meegemaakt? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat ik het niet fijn vind.

Wanneer ik de afgelopen maanden eens even wat verdrietig was, wat eigenlijk helemaal niet zo vaak meer gebeurde, huilde ik wat. Een uurtje ofzo en alles was eruit. En ik kon weer verder. Maar wanneer ik nu verdrietig ben, komt dat vreemde gevoel in mijn buik terug naar boven. Pal in het midden, alsof er een baksteen in zit die er NU uit wil. Als ik dat gevoel heb, word ik bang. Ontzettend bang. Bang omdat ik dan vrees dat ik de dood van mijn papa niet goed verwerkt heb of aan het verwerken ben.

Dat vraag ik me zo vaak af: verwerk ik het wel goed? Doe ik de juiste dingen? Doe ik te weinig of te veel? Praat ik te weinig en krop ik het op? Krijg ik binnen een aantal jaar een inzinking? Of is dit gewoon een nieuwe fase in het verwerkingsproces? Is dit tijdelijk en gaat het binnen enkele weken terug beter gaan? Stel ik te veel vragen? Moet ik het niet gewoon allemaal op mij laten afkomen?

Misschien wel.

Maar de dood is mijn leven. Ik leef met de dood. De dood van mijn papa zit voor altijd in mijn gedachten. Elke dag leef ik ermee. De ene dag is geweldig en de andere dan weer geweldig moeilijk. Maar moeilijk moet ook gaan hé.

Ja, moeilijk gaat ook. “Niet drijven over hé, meid.” zou mijn papa zeggen, waarmee hij bedoelde dat ik niet moet overdrijven.

Ik-mis-mijn-dode-papa-dag

Standaard

Soms heb ik het nog steeds verschrikkelijk moeilijk met de dood van mijn papa. Dan sta ik ’s ochtends op en denk ik: het is weer zo’n dag. Zo’n dag waarop alles mij aan hem doet denken. En ja, je raadt het al. Gisteren was zo’n dag.

Ik was alleen thuis, mijn mama ging een dagje naar zee. Dus ik dacht: gezellig, dan ga ik een dagje winkelen. Ik werd wakker en deed mijn gordijn omhoog. Ik keek naar mijn vensterbank en bekeek de foto van mijn papa. Voorzichtig nam ik de mini-urne vast. Ik moest er een dun laagje stof afvegen, zo lang was het geleden dat ik het had vastgenomen. Het is nu eenmaal geen prettige gedachte om je vader in zo’n potje te hebben zitten en dat een beetje te aaien. Daarom neem ik het zelden of nooit uit het doosje. Af en toe wrijf ik er wel eens over, zodat het proper blijft. En dat was nu blijkbaar een tijdje geleden. Laten we het op mijn stage steken.

En daar stond ik dus, met een paar restjes papa in mijn handen, starend naar zijn ogen. Mijn ogen. Heel even dacht ik: wat als ik mij hier nu op de grond zou leggen en een paar uur lang zou huilen? Maar ik bedacht mij al gauw dat dat geen zin heeft. Opnieuw heel voorzichtig legde ik de urne terug in het doosje. Andere mensen zouden het misschien iets schattigs of moois vinden, want je kan bijna niet raden dat het een urne is. Maar ik vind het eigenlijk vrij vies hoewel het er wel mooi uitziet. Datgene wat erin zit, maakt het vies.

Mijn dag was dus al goed gestart! Ach, het kan alleen maar beteren, dacht ik. De zon komt er misschien wat door en straks ga ik winkelen, enkel leuke vooruitzichten. Want ja, ik ben nu eenmaal dol op winkelen en het was zo lang geleden!

Iets voor de middag vertrok ik (eerst heb ik nog een paar uur opgeruimd – stage brengt zooooveel rommel met zich mee!) richting station. Toen ik op mijn trein stond te wachten kroop dat vreemde gevoel al langzaam in mijn huid en hoofd.

Hoe vaak heb ik hier wel niet gestaan met tranen in mijn ogen, dacht ik. Hoeveel uur na de dood van mijn papa stond ik hier al niet terug? Hoe vaak heb ik wel niet gedacht: is onder de trein springen minder erg dan het gemis van mijn papa? Hoe vaak heb ik niet gevloekt dat ik mijn papa terug wil? Het station is zo wat mijn plaatsje waar ik tot rust kom. Ik sta er graag te wachten (toch als het niet ijskoud is) op mijn trein. Ik hou van de stilte en de voorbijrijdende treinen. Ik hou ervan dat ik daar zo vaak heb gestaan en dat ik zo vaak niet wist hoe het verder moest met mijn leven. Ik hou ervan dat er dan bijna een jaar lang een lieve vriendin mij stond op te wachten om mij te troosten of te knuffelen. Ik hou ervan dat ik daar gewoon wat kan zitten en staren.

Ik beken, ik ben expres een half uur te vroeg vertrokken zodat ik daar nog wat kon zitten en staren. En nadenken. En treuren. Waarom is mijn papa dood? MIJN papa. Niet die van iemand anders, net mijn papa. Het blijft na meer dan 2 jaar en 7 maand oneerlijk. Zo oneerlijk. En het oneerlijkste is nog dat je er niets aan kan veranderen, hoe graag je ook wilt. Dood is dood en dat blijft voor altijd doder dan dood. Dit en nog veel meer spookte door mijn hoofd.

Eens aangekomen bij de winkels voelde ik mij niet beter. Zelfs niet heel even. Ik kon het zelf bijna niet eens geloven, de kledij, de juwelen, de schoenen, de hebbedingetjes, … maakten mij niet gelukkig. Ik voelde de euforie van nieuwe spulletjes niet. Normaal word ik even dolblij van winkelen. Deze keer dus niet.

Ik dwaalde wat rond in de winkels, ik kocht enkele spulletjes en slenterde door de drukke straten met muziek in mijn oren. Ik liep langs gelukkige koppeltjes, lieve oudjes, gezellige gezinnen en schattige vaders met dochters. Dat laatste raakte mij natuurlijk het diepst. Toen mijn papa nog maar net was gestorven kreeg ik automatisch tranen in mijn ogen als ik dit soort gelukkige duo’s tegen kwam. Maar na verloop van tijd werd ik hieraan gewoon en dacht ik niet meteen aan mijzelf en mijn papa. Gisteren dus wel. Plots zag ik overal geweldige vaders met aanhankelijke dochters. Plots voelde ik weer diezelfde, stekende pijn. Jaloerse pijn ook. Waarom zij wel en ik niet? Waarom mag ik niet gelukkig zijn? Waarom mag ik hier niet rondlopen met mijn papa?

Waarom? Die waarom-vragen waren al zo lang achterwege gebleven en nu waren ze plots terug. Ik weet niet WAAROM.

Ik had verschrikkelijk veel hoofdpijn gekregen dus ik zette mij even neer op een rustig pleintje. Ik moest mij heel erg hard inhouden om niet in tranen uit te barsten. Ik miste mijn papa plots weer zo verschrikkelijk hard en ik wist niet hoe het kwam. Het was gewoon zo’n dag. Een ik-mis-mijn-dode-papa-dag. Misschien had ik een bordje met die tekst rond mijn nek moeten hangen. Dan hadden voorbijgangers mij misschien wat kunnen troosten. Of ze hadden mij een zielige blik kunnen toewerpen.

Vandaag is het gelukkig niet zo’n dag. Ik voel mij nog steeds niet tiptop maar toch al wat beter. Het einde van een stage, het doet wat met een mens. Ik steek het daar maar op, dan moet ik het niet op mijzelf steken.

 

Laat ik nog eens afsluiten met een mooi liedje. Dat maakt alles toch nog altijd wat beter.

 

Overval

Standaard

Verdriet. Het overvalt je. Als een dief in de nacht. Sluipend, langzaam, steeds verder in je huis En plots schrik je wakker en hoor je het lawaai. Je jaagt de dief weg door zelf lawaai te maken. Of je laat de dief verdergaan en wacht tot hij alles heeft meegenomen.

Zo gaat het dus ook met verdriet. Ofwel verjaag je het. Ofwel laat je het bezit over jou nemen. Wat het verdriet bij mij heeft gedaan weet ik niet goed. Volgens mij is het verdriet nog steeds aanwezig. Wat stiller en rustiger dan voorheen. Maar het is er nog steeds. Ergens in een achterkamertje waarvan het deurtje af en toe eens open gaat.

Je raadt het al. Gisteren ging dat deurtje weer eens open.

 

’s Nachts droomde ik over mijn papa. We hadden een bier ontworpen, speciaal ter nagedachtenis van hem. Hoe het juist in elkaar zat weet ik niet meer. En mijn peter kwam er ook in voor. Hij was blij dat we hem, de nacht dat mijn papa stierf, hadden verwittigd. Hij had dan wel heel ver moeten rijden, maar hij had het ervoor over. Hij was tevreden. Spijtig genoeg is het in het echte leven niet zo gegaan, we hadden hem niet verwittigd. Of hij daar boos om is, weet ik niet.

 

Overdag zag ik een bericht op facebook verschijnen van een meisje dat ik ken van op speelplein. ‘Verloor een geliefde: vader’. Slik. Ik plaatste ook zo’n bericht toen mijn papa net gestorven was. Ik ken het meisje niet super super goed maar we kwamen vorige zomer wel goed overeen, we zaten heel vaak bij elkaar. Ze studeert ook voor leerkracht lager onderwijs. En nu heeft ze dus ook geen papa meer. Ik heb even met haar gesproken via facebook. Door zo’n gesprek komen de akelige herinneringen automatisch weer naar boven. Door te lezen hoe zij zich voelt, komen mijn gevoelens van toen weer terug. Dan voel ik mij weer even zenuwachtig en bang. Door dit nu te schrijven, voel ik het weer.

Heel gek. Heel vies. Heel stom en helemaal niet leuk. Maar niks aan te doen. Ik wou dat ik dat meisje kon helpen. Echt kon helpen. En ik weet dat dat niet mogelijk is. En dat doet mijn bijna nog meer pijn. Want ik weet hoe het voelt en ik wil niet dat iemand hetzelfde voelt. Niemand zou dat verdriet mogen voelen. En toch zijn er elke dag honderden of duizenden mensen die zo’n slecht nieuws te horen krijgen. Mensen die in elkaar zakken van hartverscheurende pijn of mensen die blijven staren naar dezelfde plek van ongeloof. Mensen die niet weten wat te doen of mensen die niet stil kunnen zitten. Mensen die hun geliefde verliezen en nooit of nooit meer terug kunnen zien. Mensen waarvan hun leven voor goed veranderd. Mensen die nog miljoenen keer zullen wensen dat dit nooit gebeurd was. Mensen die zich uiteindelijk zullen moeten neerleggen bij het verdriet. Willen of niet. Dood is dood.

 

En de zon, die blijft maar schijnen. Zoals Yevgueni  het ook zo mooi zingt.

 

Trouwens nog een vrolijk Pasen gewenst.

 

Trouwens nog een kort verhaaltje: mijn tantes hebben mij daarnet op het Paas’feest’ teleurgesteld. Ze moeien zich zo met mijn keuze om al dan niet verder te studeren. Volgens hen MOET ik de job aannemen in mijn stageschool. Terwijl ik niet eens een job aangeboden heb gekregen… Verder studeren gewoon om iets te doen te hebben, is dom. Terwijl ik niet eens zomaar wil verder studeren. Buiten gewoon onderwijs lijkt mij echt wel leuk om te doen. Dat begrijpen ze precies niet. Werken is de boodschap volgens hen.

Achja, mijn leuke familie zal mij nooit begrijpen.

De dood wandelt weer eens met me mee

Standaard

Het verdriet komt me weer langs verschillende kanten besluipen. Heel zachtjes en traag kruipt het op mij en in mij. De tranen stapelen zich op. Ze dreigen alweer de rand van mijn emmertje te bereiken. Maar ik probeer ze er schepje per schepje uit te halen, zodat ik niet overspoeld wordt door de tranen.

Even wat meer duidelijkheid voor de geïnteresseerden.

Een vriendin van mij heeft een paar dagen geleden haar peter verloren. Heel plots door een auto-ongeluk. Ik ken de man helemaal niet, maar dat maakt mij niets uit. Ik zie hoe hard die vriendin erdoor geraakt is. Ik zie dezelfde pijn bij haar als de pijn die ik had. Door haar verdriet, komt mijn verdriet terug naar boven. De herinneringen aan de dagen na de dood van mijn papa komen weer bovendrijven.

Ik probeer haar zo goed mogelijk te helpen en te steunen. Hoe moeilijk ik het ook vind. Ik weet hoe het voelt en net daarom vind ik het zo verschrikkelijk moeilijk om de juiste woorden te vinden. Want ik weet dat er geen juiste woorden zijn. Enkel foute woorden, woorden die kwetsen en pijn doen. Dat zijn de woorden die ik wil vermijden. Maar wat zijn die woorden dan net? Zijn dat dezelfde woorden als bij mij? Of zijn dat andere? Geen idee. Ik doe wat ik denk dat ik moet doen. En hopelijk is dat goed.

 

En dan nog een andere oorzaak. Mijn nieuwe ‘stagepartner’, ook een Sara (zonder ‘h’ weliswaar) raakte mij gisteren met haar verhaal. Ze is haar papa ook verloren aan kanker. Toen ze nog maar 12 jaar was… We hebben er zeker een half uur over gesproken. Wel gek om zoiets pas na 3 jaar met elkaar in de klas te zitten, te ontdekken. Zij wist het natuurlijk al die tijd al van mijn papa, maar ik niet van de hare. Dus de Sara(h)’s hebben weer iets met elkaar gemeen. Spijtig genoeg.

 

De dood is overal. Elke dag. En toch komt hij soms weer heel dicht naast je lopen, op jouw pad. En eventjes vriendelijk goeiedag knikken, zorgt er niet voor dat hij ergens anders gaat lopen. Enkel aanvaarden dat hij daar loopt, zorgt ervoor dat je weer met een gerust geweten en hart verder kan.

Dus bij deze probeer ik dat weer maar eens.

 

De herfstblues

Standaard

De voorbereidingen voor mijn stage van volgende week eisen stilaan zijn tol.

Vorige week heb ik elke dag van 8 uur ’s morgens tot 10 uur ’s avonds gewerkt. Enkel ’s middags en ’s avonds een half uurtje pauze. Lessen maken is véél werk. Een eindeloos werk lijkt het soms wel. En wanneer je juf dan een mailtje stuurt om te zeggen dat je de helft van je lessen opnieuw mag maken omdat de opbouw slecht is, zakt de moed je wel eventjes in de schoenen.

En nu is de moed tot diep in de grond gezakt. Ik ben moe. Ik ben kapot. Ik heb geen energie meer. En ik moet maar energie blijven geven. Blijven gaan. Non stop. En ik wil stoppen. Ik wil zo graag schreeuwen dat het allemaal moet stoppen. De tijd stopzetten. En wenen, wenen en nog eens wenen.

Wenen om mijn papa. Wenen om het triestige weer. Wenen om de stomme lesvoorbereidingen. Wenen omdat ik er nog altijd niet 100% zeker van ben dat ik juf wil worden. Wenen omdat ik niet kan wenen. Gewoon eens veel en hard wenen.

Maar ik krijg er geen enkele traan uitgeperst. Blijkbaar heb ik de ‘aan’ knop voor mijn tranen weer eens goed verstopt. Te goed blijkbaar.

 

Elke keer wanneer er iets niet goed gaat, wordt dat slechte gevoel dubbel zo slecht omdat het gemis van mijn papa dan ook sterker wordt. Als ik het even niet meer zie zitten, heb ik mijn papa nodig. Zijn sterke armen en zijn zachte handen om in uit te huilen. Zijn mooie stem die zegt dat alles wel weer goed komt. Dat ik gewoon eventjes moet doorzetten. Dat ik het wel zal kunnen. Dat ik alles kan. Dat hij fier is op mij.

Ik haat alles soms zo hard. Zo hard dat ik soms denk: als ik nu eens die bocht niet neem, dan vlieg ik tegen dat huis en ben ik misschien dood. Maar 1 seconde later denk ik dan al weer: dat durft gij niet Sarah. En het is waar, ik zou het niet durven.

Ik durf niets. Ik durf niet eens te wenen. Hoe zielig is dat eigenlijk wel niet?

 

 

Bijna is alweer voorbij

Standaard

Wat een paar dagen geleden nog ‘bijna’ was, is nu alweer verleden tijd. Mijn papa is nu welgeteld twee jaar en 1 dag dood. Het is en blijft een eng en vies woord: dood. Maar ‘overleden’ vind ik dan weer te chique klinken. Daarom schrijf ik liever ‘dood’. Want dat is hij uiteindelijk ook, morsdood. Steendood. Doder dan dood.

En ik heb misschien 26 tranen gelaten, veel meer zal het niet geweest zijn. 26 tranen, vermengd met het water uit de douche. Want ja, na lange tijd is het mij nog eens gelukt om te wenen. En dan nog wel in de douche. En ja, ik heb mijzelf weer maar eens verplicht om te stoppen met bleiten. Want het haalt toch niets uit. En mijn mama moest niet zien dat ik geweend had.

Ze had het al moeilijk genoeg, ik zag ’s morgens dat ze wat geweend had. Maar natuurlijk heb ik er niets van gezegd. Want zo zit ik nu eenmaal in elkaar. Zwijgen is uiteindelijk ook goud, zoals het gezegde zegt.

Er hebben niet veel mensen aan ons gedacht. Of ik kan beter zeggen: er hebben niet veel mensen aan mijn papa gedacht. Mijn peter (de broer van mijn papa) zette een kaarsje als profielfoto op zijn facebook en hij stuurde een smsje naar mijn mama. Dat was het.

De andere broer van mijn papa, mijn nonkel dus, stuurde bloemen op. Met een lief kaartje eraan: twee jaar geleden al, het is net of het gisteren was. we denken aan jullie. Dat vond ik wel heel erg lief. Hij (en zijn vrouw/vriendin eigenlijk) stuurden vorig jaar ook bloemen op mijn papa zijn sterfdag. Ik vraag me af of het binnen een jaar of 7 een verplicht nummertje wordt, die bloemen sturen.

Mijn oma, die van mijn mama haar kant, heeft gebeld met mijn mama en heeft blijkbaar over van alles en nog wat gebabbeld, maar heeft geen woord gezegd over mijn papa. Waarschijnlijk was ze het helemaal vergeten. Haar geheugen gaat de laatste tijd wat achteruit.

En mijn vriendinnen wisten dat het ‘die ene speciale dag’ was, maar hebben ook niet echt iets speciaals gezegd of gedaan. Maar dat neem ik hen helemaal niet kwalijk. In hun plaats zou ik ook niet weten wat te doen.

 

Dus om mijn verhaal samen te vatten: het was een eenzame, lange, saaie, moeilijke dag. Vol verdriet in mijn hoofd, hart en buik. Maar uiteindelijk is het ook maar een dag zoals een ander. Of dat probeer ik mijzelf toch wijs te maken. Geloven doe ik het voorlopig nog niet echt.

 

Ik wil wel proberen om mijn gevoel van de afgelopen (en waarschijnlijk de komende dagen ook) te beschrijven maar het lukt mij niet echt goed. Ik voel mij vooral eenzaam, verdrietig, zenuwachtig, onzeker, bang, wanhopig en soms hopend. Soms ook intens ongelukkig. Of zelfs nutteloos en zinloos. Dan bedenk ik mij waarom het nog zin heeft dat ik mijn best doe om iets te worden of te betekenen in deze grote, boze, harde wereld.

Eenzaam is misschien wel, nu ik er verder over nadenk, het meest overheersende gevoel. Er zijn veel mensen die mij willen steunen en die zeggen dat ik op hen kan rekenen. Maar uiteindelijk sta ik er altijd alleen voor. Het is mijn verdriet. Ik kan het delen zo graag en zo veel als ik wil. Het blijft bij mij en van mij. Het kan misschien heel erg traagjes minderen, maar het grootste gewicht blijft in mij zitten en rond mij hangen.

Doordat ik zelden (of eerder nooit) nog praat over mijn verdriet, verleer ik steeds meer en meer hoe ik erover moet praten. Ik kan het gewoon echt niet meer. Ik wil er wel over praten, maar ik kan het niet. Iemand moet de woorden uit mij sleuren, anders lukt het niet. En er is bijna niemand die dat begrijpt. Ze willen het wel begrijpen, ze proberen misschien zelfs hard, maar het lukt niet.

En dan zijn er nog de vele andere mensen die denken dat je na 2 jaar er wel over bent. Ik hoef jullie waarschijnlijk niet uit te leggen dat dat niet zo is.

Ik zit vast in mijn verdriet. Ik functioneer normaal, je ziet mijn verdriet niet. Maar het is er wel. Diep vanbinnen, goed verstopt, onder mijn glimlach en achter mijn domme mopjes. En soms zou ik willen schreeuwen, schreeuwen van verdriet, van pijn, van wanhoop, van ellende. En schreeuwen tot mijn papa mij kan horen en begrijpt dat hij terug moet komen.

 

mooi......

Sarah, heb jij een papa?

Standaard

Mijn vakantiewerk zit er al weer op. Gedaan met speelplein voor dit jaar. Misschien wel voor altijd. Want als ik volgend jaar ben afgestudeerd, ga ik niet meer werken op het speelplein. Maar dat zien we dan wel, ik ga mijn hoofd daar nu nog niet over breken.

Ik heb genoten van deze twee weekjes. De tweede week was ook veel leuker als de eerste. De moni’s van mijn groep waren veel leuker als die van vorige week. De kindjes waren gelijkaardig.

De eerste twee dagen van deze week waren voor mij wel totaal anders. Ik moest invallen als ‘inclusieanimator’. Dat wil zeggen dat je één kindje constant moet begeleiden. Dit kunnen kinderen zijn met een mentale of motorische handicap. Of zelfs kinderen met ADHD. Dat is een beslissing die afhangt van de ouders, zij moeten opgeven of hun kind al dan niet een ‘persoonlijke begeleider’ nodig heeft.

Ik moest deze week op Noor letten. Noor was een heel erg leuk meisje met het syndroom van down. Ze is dan ook nog eens transplantpatiënt en daardoor heeft ze een hele lage weerstand. Maar dat hield haar allemaal niet tegen om mee te spelen met de andere kinderen. Ze was steeds heel vrolijk en ze maakte constant grapjes. Ze heeft enorm veel fantasie en vertelt heel vaak dingen waarvan je denkt: waar haalt ze het.

Het liefste wat ze deed was doktertje spelen en andere kinderen verzorgen. Ik gaf haar een doktersjas en dan liep ze de speelplaats rond om te vragen aan andere kinderen of ze ergens pijn hadden. Soms kwam ze echt kindjes tegen die ergens pijn hadden en dan verzorgden we die kindjes samen. Dat vond ze geweldig. Haar lach was echt schattig. Soms moest ik ook erg hard lachen om de dingen die ze zei en dan vroeg ze steeds: “waarom lacht gij?” of “wat vindt ge zo grappig?” of “ge moet niet zo lachen gij!”

Spijtig genoeg kon ze de rest van de week niet komen. Ik begon ze net beter te leren kennen. Want in het begin was ik nog erg onwennig met haar, ik had nog nooit eerder voor een ‘inclusiekindje’ gezorgd. Ik kreeg echt al een soort van band met haar. Na 2 daagjes al. Ik kan mij voorstellen als je een heel jaar les geeft aan iemand als Noor, dat je echt heel hard aan elkaar gehecht raakt. Toen ze de 2e dag ’s morgens toekwam, stond toevallig net in de inkomhal. Ze zag mij van ver al staan en begon uitbundig te zwaaien. Dat maakte mijn dag al meteen goed.

Doordat ik nu, al was het maar 2 daagjes, als inclusieanimator heb gestaan, zie ik het al beter zitten om stage te doen in het buitengewoon onderwijs. Want dat heb ik opgegeven als keuzestage volgend schooljaar. Nadat ik dat had opgegeven, begon ik daaraan te twijfelen, maar nu ben ik al terug wat zekerder van mijn keuze.

Oké, genoeg over Noor. Ik heb nog andere dingen te vertellen. Trouwens, dit is echt al een lang bericht, dat had ik niet verwacht toen ik eraan begon.

Kinderen in het algemeen zijn altijd heel nieuwsgierig en durven alles te vragen wat je maar kan bedenken. Ze praten en vragen over van alles en nog wat. Zo is het een paar keer gebeurd dat ze naar mijn papa vroegen. Dan moet ik mijn pijn in mijn hart zeggen dat ik geen papa meer heb. Dan vragen ze steeds: “waarom niet?” en dan moet ik zeggen dat hij is gestorven omdat hij heel erg ziek was. Dan knikken ze eens of dan zeggen ze iets in de aard van “ahja”. Die kinderen zijn dat volgens mij na 1 minuut alweer vergeten. Maar bij mij blijven die vragen een paar uur lang nazinderen. Die vragen breken mij telkens op nieuw.

Eén keer gebeurde het dat iemand van de moni’s van alles aan het vertellen was tegen de kinderen over haar papa die ze nooit heeft gekend. Toen vroeg ze of ik een papa heb. Ik stond met mijn mond vol tanden. Maar ik wist dat ik moest antwoorden. Voor een stuk of 10 kinderen tegelijk antwoordde ik: “ik heb geen papa meer.” Meer kon ik niet uitbrengen. Ik was compleet van mijn melk. Ik stond te bibberen op mijn benen en voelde mij helemaal slap. Dat gevoel had ik al lang niet meer gehad. Dat was het gevoel van angst om tegen anderen te vertellen dat ik geen papa meer heb. Het gevoel dat ik opeens weer doorheb dat mijn papa echt dood is. Het gevoel van de waarheid plots weer te ontdekken.

Maar misschien is dat wel goed dat dat is gebeurt. Misschien helpt het mij weer een beetje verder. Misschien helpt het mij om alles nog meer te aanvaarden en te verwerken. Want dat proces is nog lang niet voltooid. Ik heb nog een lange weg te gaan.

Ik mis je tranens hard

Standaard

Een jaar en vijf maanden. Dat is echt al lang. Vind ik toch.

Ik mis mijn papa al een jaar en vijf maanden. 17 maanden. Een 68-tal weken. een 476 dagen. ongeveer 11 000 uur. (als ik juist heb gerekend, en rekenen is niet mijn sterkste kant.) Zo lang. Te lang.

Soms heb ik van die momenten waarop ik hem verschrikkelijk hard mis. Vandaag was zo’n dag. Niet alleen door de datum of door het aantal maanden. Gewoon. Soms heb ik zo’n dagen. Het zal een combinatie van beide dingen geweest zijn.

Ik heb wel gelachen hoor. Maar niet echt echt gelachen. Hoewel, in het begin van de dag viel het nog mee. Naarmate de dag vorderde werd ik triestiger. Dan kroop ik een beetje meer weg in mijzelf.

Het was ook een pechdag vandaag en daardoor werd ik alleen nog maar lastiger en triestiger.

Ik heb er ook met niemand over kunnen praten, over hoe ik mij vandaag voelde. Niemand wist dat het vandaag weer die speciale 15e is en niemand heeft denk ik echt opgemerkt dat ik triestig was.

Ik ben er bijna helemaal zeker van dat ik deze nacht lang ga liggen wenen in mijn bed. Ik voel dat de tranen eruit moeten. Het verdriet moet weer eens losgelaten worden.

Vandaag heb ik zo vaak naar de lucht gekeken. Naar de wolken. In de hoop dat mijn papa daar ergens is. Maar ik zag alleen de blauwige lucht en mooie wolken. Ik zag alleen hoe de wind de wolken verjaagde en hoe de zon zo zijn best deed om te schijnen. Maar mijn papa heb ik nergens gezien.

Ook in de bomen heb ik gezocht. Niets te zien. In de ogen van vreemde mensen heb ik gezocht. Geen spoor te bekennen. In mijn hart heb ik gezocht. Maar daar vind ik ook niets tastbaars. Herinneringen en gevoelens. Maar geen echte papa. Geen papa die ik kan vasthouden en knuffelen. En die papa mis ik zo. Zo enorm hard. Tranens hard.

 

 

Op momenten zoals deze is er niet veel dat mij kan helpen. Muziek is dan steeds een van mijn reddende engels. Muziek maakt mij kalm en zorgt ervoor dat mijn gevoelens niet alleen zijn. Ze worden weerspiegeld door de muziek. Of de muziek vertelt over mijn gevoelens.

Daarom dit liedje.

“Hold on to coldest steel.” Dat moet ik doen. Zelfs als er niets meer is waarin ik geloof of waar ik van hou, dan moet ik de moet niet opgeven en blijven volhouden. Desnoods aan het koudste staal.

“The world in all it’s anger. And there’s always more to come.” Die woede heb ik al gevoeld. En misschien kan ik ze nergens écht neerschrijven. Maar toch helpt mijn blog mij.

Dus bedankt blog. En bedankt David Gray voor je prachtige muziek.

En bedankt papa. Voor alles wat je mij hebt gegeven.

 

 

 

I’m falling down

Standaard

Ik zou terug meer moeten schrijven. Veel meer. Ik schrijf nooit meer.

Hoewel, nooit meer is overdreven.

Ik schrijf elke dag. Lesvoorbereidingen, chatten op facebook, post-its, taken, …

Maar schrijven met gevoel, dat is iets anders.

Schrijven met gevoel heb ik te lang verwaarloosd. Of misschien moet ik dat juist als is positiefs ervaren. Want ik schrijf vooral als ik mij slecht voel. En ik heb de laatste twee maanden zelden of nooit geschreven. Maar nu, met de feestdagen, heb ik het natuurlijk weer moeilijker.

Het zien van de broers van mijn papa doet mij pijn. Hun kale koppen zien. Even kaal als die van mijn papa. Hun grapjes horen. Even dom als die van mijn papa. Het zien van het vertroetelgedoe van de dochter. Even veel vertroetelgedoe als ik kreeg. Hun bewegingen. Dezelfde als die van mijn papa. Alles hetzelfde. Behalve dat ze mijn papa niet zijn. En echt waar, dat doet pijn.

Noem het maar jaloers zijn, want dat is het ook. Ik ben jaloers, op mijn nicht. Waarom heeft zij haar papa nog en ik niet? Waarom heeft iedereen een leuke papa? Of een stomme papa? Het maakt al niet uit, het is een papa. Het is een papa die ik niet meer heb.

Ik kan hem niet meer knuffelen. Ik kan geen kerstcadeau kopen voor hem. Ik kan geen kleine, toffe, onnozele cadeaus meer krijgen van hem. Ik kan hem geen zalige Kerst wensen of geen gelukkig nieuwjaar. Ik kan hem geen drie kussen geven. Ik kan hem niet knuffelen. Ik kan hem niet aanraken. Niet zien. Niet horen. Want hij is weg. En vaarwel heb ik nooit gezegd. En ja, daar heb ik spijt van. Zo veel spijt.

Maar te laat is te laat. Voorbij is voorbij. En toch blijf ik hopen dat je terug komt. Of dat ik je ooit ergens zie. Al is het maar een geest, een schim, een gedachte, een seconde. Iets. Een teken. Een gevoel. Ik hoop dat ik ooit zoiets mag voelen of zien of horen of weten.

In de tussentijd luister ik mooie muziek.

 

 

Don’t hurt yourself like that.

Standaard

Wat begint als een goede dag kan zo snel weer een slechte dag worden.

Ik heb mijn eigen autootje gekocht vandaag. Voorlopig moet ik mijn mama nog overtuigen om hem helemaal zelf te betalen (ze wil hem aan mij geven omdat ik niet op kot ga en mijn broers wel, maar ik wil hem wel zelf betalen omdat ik hem dan echt zelf heb gekocht). Ik heb dus een autootje. Schattig fel groen. Ik ga hem helemaal pimpen met bloemetjes zetels en allerlei andere prulletjes. Ik heb ook al een naam bedacht: the green flower power car.

Tot zover de leuke dingen.

Toen kwamen de stomme dingen. Allerlei kleine belachelijke probleempjes. Maar die probleempjes zorgden ervoor dat ik het grotere probleem onder ogen begon te zien. Ik heb mijn allereerste auto gekocht, wat op zich een belangrijke gebeurtenis is in een leven, en mijn papa was er niet bij. Hij weet niet dat ik een mooi autootje heb gekocht. Hij weet niet dat ik volop aan het leren rijden ben. Hij weet niet dat ik mijn schrik heb overwonnen. Hij weet niet dat ik morgen weer les ga geven in het tweede leerjaar. Hij weet niet dat ik hem mis. En ik mis hem zo.

Door al die dingen werd ik plots weer heel ongelukkig. Door al die dingen begon ik te wenen en te wenen. Door al die dingen begon ik te bidden. Ja, te bidden. Tot God. En ik vertelde hem dat ik niet goed weet of hij bestaat. Maar toch heb ik hem verteld over mijn papa. En ik heb gevraagd of hij mij kan vertellen waar mijn papa is. En ik vertelde erbij dat ik niet weet waarom ik het antwoord zou verdienen op die vraag. Want er zijn miljoenen mensen die zich afvragen waar hun geliefde is. Ik vraag mij hetzelfde af. En ik weet niet waarom God die vraag zou beantwoorden aan iemand zoals mij. Een gewoon meisje…
Al die dingen hebben mij verdrietig gemaakt. Al die dingen heb ik tegen God of tegen mijzelf misschien verteld. En misschien heeft het niets tastbaar opgeleverd maar ik voel me nu toch terug een beetje beter.

Bij deze was het een bijzondere dag. Mijn eerste auto en mijn eerste echte gebed tot God.