Tagarchief: wenen

De dood is mijn leven

Standaard

Soms, heel soms, of eigenlijk wat vaker als heel soms, heb ik het gevoel als het allemaal nog maar pas gebeurd is. Dat mijn papa nog maar net gestorven is. Dat er nog geen 3 jaar voorbij is maar 3 uur. En dat ik zijn armen dan weer zo graag om mij heen wil voelen.

De laatste maand ben ik er weer veel meer mee bezig. De dood van mijn papa is haast mijn leven. Het is niet zo extreem als in de beginperiode, maar toch weer veel meer dan deze zomer bijvoorbeeld.

Hebben de donkere dagen er iets mee te maken? Of de feestperiode nog? Of is het omdat ik weer wat meer in aanraking kom met mensen die hebben meegemaakt wat ik heb meegemaakt? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat ik het niet fijn vind.

Wanneer ik de afgelopen maanden eens even wat verdrietig was, wat eigenlijk helemaal niet zo vaak meer gebeurde, huilde ik wat. Een uurtje ofzo en alles was eruit. En ik kon weer verder. Maar wanneer ik nu verdrietig ben, komt dat vreemde gevoel in mijn buik terug naar boven. Pal in het midden, alsof er een baksteen in zit die er NU uit wil. Als ik dat gevoel heb, word ik bang. Ontzettend bang. Bang omdat ik dan vrees dat ik de dood van mijn papa niet goed verwerkt heb of aan het verwerken ben.

Dat vraag ik me zo vaak af: verwerk ik het wel goed? Doe ik de juiste dingen? Doe ik te weinig of te veel? Praat ik te weinig en krop ik het op? Krijg ik binnen een aantal jaar een inzinking? Of is dit gewoon een nieuwe fase in het verwerkingsproces? Is dit tijdelijk en gaat het binnen enkele weken terug beter gaan? Stel ik te veel vragen? Moet ik het niet gewoon allemaal op mij laten afkomen?

Misschien wel.

Maar de dood is mijn leven. Ik leef met de dood. De dood van mijn papa zit voor altijd in mijn gedachten. Elke dag leef ik ermee. De ene dag is geweldig en de andere dan weer geweldig moeilijk. Maar moeilijk moet ook gaan hé.

Ja, moeilijk gaat ook. “Niet drijven over hé, meid.” zou mijn papa zeggen, waarmee hij bedoelde dat ik niet moet overdrijven.

Die ene week – deel 2

Standaard

Ik ga weer eens verder met het belangrijkste en meest indrukwekkende verhaal uit mijn jonge leventje. De dood van mijn papa.

Die ene week, de week na de dood van mijn papa, daar was ik gebleven.

Vrijdagnacht is hij gestorven, maandagochtend zat ik alweer in de les. Maandagavond gingen we gezellig zijn urne uitkiezen.

Wat we de rest van de week hebben gedaan, dat weet ik totaal niet meer.

Ik ben wel alle dagen naar school geweest, dat weet ik nog wel. En ik weet dat ik het heel vaak enorm moeilijk had. Dat mijn lichaam schreeuwde en dat ik toch niets kon uitbrengen. Dat de tranen stegen en stegen maar  dat er geen enkele overboord viel. Pas wanneer ik ’s avonds in mijn bed kroop, rolden de tranen eruit. Uren aan een stuk.

Terwijl ik in de les zat, wou ik zo vaak naar buiten lopen en blijven lopen. Zo ver als ik kon, zo ver totdat ik niet meer wist waar ik was. Maar ik kon het niet. Ik durfde niet te bewegen. Bang voor de reacties denk ik. Bang voor de blikken. Dus ik bleef rustig zitten.

Ik weet niet goed meer op welke dag het was, ik denk woensdag of donderdagavond, was het de laatste groet. De laatste keer dat de mensen mijn papa konden gaan bekijken. En groeten. Voor de aller aller laatste keer. Ik was enorm zenuwachtig en bang. Ik wou het dode lijf van mijn papa niet zien. En we wisten niet zeker of ik wel ergens in een aparte ruimte kon zitten zonder hem te zien liggen. Dus dat was nog extra spannend. Het was ook een koude avond. Ofwel leek het gewoon zo. Ik stond alleszins te bibberen.

Gelukkig was er een apart kamertje. Heel klein en vlak naast de deur van de kamer waar zijn lichaam lag. Als ik het mij goed herinner stond er niet eens een deur in. Gewoon een opening. In dat aparte zaaltje stonden 4 stoelen. Net genoeg aangezien we niet langer met 5 waren. Er stond ook een lelijke kaars. De eerste 5-tal minuten kwam er niemand. Behalve mijn tante en oma, die waren er al. Daarna kwam het volk. Veel mensen had ik nog nooit gezien. Ze gaven mij een hand of een kus. Ze zeiden allemaal “sterkte” of “innige deelneming” of “mijn deelneming” of “christelijke deelneming” of “hou je goed” of “hij was nog zo jong hé” of “hij ligt er mooi” of weet ik veel wat. Dat laatste kon ik nooit begrijpen. Hoe kan een dood lichaam er mooi bij liggen? Een dood lichaam is afschuwelijk. Zeker als in dat lichaam de beste papa ooit zat.

Het gekste moment dat ik mij nog herinner was toen de directeur van mijn hogeschool binnenkwam. Hij is (was eigenlijk, want hij is ondertussen met pensioen) ook de baas van mijn tante, die ook op mijn hogeschool werkt. Hij deed alsof hij mij al jaren kende, terwijl hij eerst dacht dat mijn broer voor lager onderwijs studeerde. Hij bood wel 5 keer zijn excuses aan omdat hij niet aanwezig zou kunnen zijn op de begrafenis. Hij bleef ook zeggen hoe verschrikkelijk het was en blabla. Gekke man. Daarna heb ik hem misschien nog 3 keer gezien, maar hij herkende mij al niet eens meer.

Nog een ander gek, maar mooi, moment was toen mijn beste vriendinnetje, van in de lagere school, mijn papa kwam groeten. Ik had haar al een jaar of 6 niet meer gesproken. En plots stond ze daar, ze had mij niets laten weten. Ze was er samen met haar lieve oma. Het ontroerde mij wel dat ze er was. Het ontroert mij nog steeds eigenlijk. Ik wist niet wat ik tegen haar moest zeggen, volgens mij heb ik dan ook niet veel meer dan 10 zinnen uitgewisseld met haar. Achja, het is en blijft heel lief van haar dat ze er was.

Ik was ergens blij dat dat deel ook al achter de rug was. Maar de begrafenis kwam dichter en dichter. Ik vond het allemaal zo eng en ik was constant zenuwachtig. Ik was bang voor wat er zou komen, ik wou niet definitief afscheid nemen van mijn papa. Geen begrafenis stond voor mij gelijk aan geen dood. Zolang hij niet begraven was, leek hij nog een beetje bij ons te zijn.

 

Maar zaterdag was het toch zover. Net iets meer dan een week na zijn dood dus. Mijn papa zijn begrafenis. Het moment waar ik al maanden bang voor was, was daar. Mijn papa wou gecremeerd worden, dat hadden we enkele maanden ervoor besproken. Die avond dat we dat hadden besproken, heb ik beseft dat ik mijn papa zou moeten afgeven. Die avond staat in mijn geheugen gegrift en eraan denken doet mij heel veel verdriet en pijn. Maar daar gaat het nu eigenlijk niet over.

De begrafenis. We hadden veel mensen verwacht en er waren ook echt veel mensen. De kerk zat vol en er moesten zelfs nog veel mensen rechtstaan. En het is niet om te stoefen, maar het was geen kleine kerk hoor. Achteraan stonden mijn klasgenoten uit het middelbaar. Ik wist dat ze zouden komen. Ik blijf het een beetje raar vinden omdat ik helemaal niet overeen kwam met mijn klasgenoten. Er keek nooit iemand naar mij om, ik was met niemand bevriend en niemand zag dat het slecht met me ging. Niemand is niet helemaal waar eigenlijk, ik had twee goede vriendinnen in mijn klas. Die vriendschap verliep niet altijd even goed, maar dat zal ik misschien nog een andere keer vertellen. Mijn klastitularis had tijdens de rapportuitdeling, enkele maanden ervoor dus, tegen mijn klasgenoten gezegd dat mijn papa ging sterven en dat ze naar de begrafenis moesten gaan. En ze hadden dus geluisterd want daar stonden ze ongemakkelijk te wezen. Ik vond het leuk dat ze zich ongemakkelijk voelden. Soms heb ik dat gevoel nog steeds maar ik weet dat het fout is. Zij konden er niets aan doen dat ik niet goed in de klasgroep lag, ik was de stille en ‘andere’ leerling.

Hoe de begrafenis juist verlopen is, weet ik niet echt meer. Het is één grote waas. Misschien mede omdat ik een soort kalmeerpilletje had genomen, eentje die mijn papa moest nemen wanneer hij één van zijn aanvallen kreeg. Het heeft mij rustig gehouden. En het heeft ervoor gezorgd dat ik mijn tekst heb kunnen voorlezen. Eerst las mijn broer een tekst voor, ik stond achter hem te wachten. Daarna was het aan mij en ging mijn broer dus achter mij staan. Alles ging heel vlot. Ik liet geen snik of traan. Totdat ik ver aan het einde van mijn tekst zat, ik vertelde over mijn broer en omdat ik hem wou aankijken, moest ik even achterom kijken. Hij stond te wenen en toen kreeg ik het ook. Snikkend las ik verder. De laatste zin: ‘Ik hoop dat ik een goede juf zal worden, zodat je trots kan zijn op mij.’ heeft bijna niemand kunnen verstaan door mijn gesnotter. Veel mensen kwamen nadien vragen wat ik nog had gezegd aan het einde. En al die mensen zeiden ook dat ik het zo goed had gedaan, zo straf dat ik dat kon. Ik was eigenlijk ook wel fier dat het gelukt was. En ze vonden mijn tekst ook heel mooi. Na de mis moesten we op een rijtje gaan staan zodat alle mensen ons een hand konden geven bij het naar buiten gaan. Ik vond het gek om al die mensen te zien. Ook verschillende docenten  van mijn hogeschool waren er. De liefste kwam mij een hand geven en stelde zich voor aan mijn mama. Deze docente heeft mij nadien nog een paar keer aangesproken, echt een lieve vrouw!

 

Toen we uit de kerk kwamen, was het mooi weer. Het zonnetje scheen ligtjes. Ik zag mijn klasgenoten vertrekken. Ik bleef nog wat ongemakkelijke babbeltjes doen met enkele ‘nieuwe’ vriendinnen.

Wanneer de lijkwagen toe kwam om de kist uit de kerk te halen, zijn we vertrokken. Als ik het mij goed voor heb, is mijn papa die dag niet gecremeerd. er was geen tijd meer ofzo. Maar dat maakte mij niet zoveel uit. Nu was MIJN papa voor goed weg. Alleen wist ik nog steeds niet hoe dat ging voelen.

 

Na de begrafenis volgde uiteraard de koffietafel. Ook hier was wel wat volk aanwezig. Ik herinner mij dat wij (ik, mama en mijn twee broers) bijna als laatste toe kwamen want heel de zaak was al vol. Ze hadden twee plaatsen voor mij vrij gehouden, één naast mijn vriendinnen en één naast mijn familie. Ik koos ervoor om eerst bij mijn familie te gaan zitten. Ik had na de mis een briefje toegestopt gekregen van mijn nieuwe lieve vriendin. Ik kon niet wachten om het te lezen en opende de brief. Ik denk dat ik na 2 zinnen al in tranen uitbarstte. Mijn broer, die recht over mij zat, kwam naar me toe om mij te troosten. Ik zie nog zo voor mij hoe hij de brief in zijn jaszak stopte, dan kon ik hem s’ avonds op mijn gemakje lezen.

De rest van de koffietafel verliep zoals elke koffietafel. Het enige verschil was dat deze koffietafel voor mijn papa werd gehouden en niet voor één of ander ver familielid. We lachten wat, we praatten wat, we mijmerden wat. Ik vertelde enthousiast aan mijn neef over mijn leuke nieuwe studies.

Nadien ging ik bij mijn vriendinnen zitten. Mijn oude vriendinnen, de nieuwe had ik niet uitgenodigd. Ik heb geen idee meer over wat we het gehad hebben. Ik weet wel nog dat L. en I. als laatste gebleven zijn. Dat vond ik wel leuk, ondanks de strubbelingen die onze vriendschap hadden moeten doorstaan.

Na de koffietafel gingen we uiteraard naar huis. Hoe het daar verliep, vertel ik een andere keer. Het is me allemaal wat te veel aan het worden.

 

 

 

 

 

Die ene week – deel 1

Standaard

Ik heb het gevoel dat ik moet verder gaan met mijn verhaal, dus dat doe ik dan ook.

Ik ben gestopt bij die ene nacht, dus nu ga ik verder met die ene week. De week na de dood van mijn papa.

Van de ochtend na die ene nacht weet ik niet veel meer. Ik weet niet meer of ik vroeg wakker was, ik weet niet meer of ik mij meteen heb aangekleed (maar ik veronderstel van niet). Ik weet wel nog dat ik samen met mijn mama op de chauffage ben gaan zitten. Dat is ons gezellige plekje of het plekje waar we troost en warmte zoeken, letterlijk dan. Daar, op de chauffage, heeft mama gebeld naar mijn broers. Daar heeft ze hen met een krop in de keel en tranen op haar wangen verteld dat hun vader gestorven is. En dat ze best naar huis kwamen maar dat ze hen niet mochten haasten.

Ik weet niet meer wat we in de tussentijd hebben gedaan. Ik weet niet of er hier thuis toen al iemand van de familie aanwezig was. Ik weet enkel nog dat Jeroen eerder thuis was dan Pieter. En dat Pieter zich geen houding wist te geven wanneer hij binnen kwam. Jeroen kwam mij en mama meteen knuffelen, Pieter niet. Meer weet ik niet meer.

Blijkbaar zitten de herinneringen aan de volgende dagen veel verder dan de momenten vlak na zijn dood. De hele week na de dood van mijn papa is heel vaag. Ik kan mij nog stukken herinneren maar ik weet vaak niet wat zich op welke dag heeft afgespeeld.

Op een bepaald moment waren er veel mensen bij ons thuis. Dat was volgens mij zaterdag, de eerste dag dus na de dood van mijn papa. Wie er allemaal aanwezig was, weet ik niet meer. Ik denk dat ze rond de middag op ‘bezoek’ gingen bij mijn papa. Iedereen vroeg of ik niet mee wou maar ik had al lang beslist dat ik zijn lichaam nooit meer wou zien. De enige die het begreep, waren mijn tante en nicht. Mijn nicht is toen bij gebleven. Iedereen ging dus kijken naar mijn dode papa terwijl wij gezellig in de zetel naar Ice Age aan het kijken waren. Toevallig ook één van mijn papa zijn favoriete films. Geen idee welke Ice Age het was. Ik denk ook niet dat ik echt aan het opletten was. Gewoon wat kijken naar de beelden zonder na te denken of zonder eigenlijk te horen wat er gezegd wordt. Maar het was goed zo. Nog voor ik het wist, was iedereen al terug. Dat is een moment dat ik mij nog goed kan herinneren.

Daarna zijn we volgens mij begonnen aan de voorbereidingen voor de begrafenis. Eerst het doodsprentje. Mijn tante had allemaal voorbeeldjes bij. De begrafenisondernemer was ook van de partij. Dat was nogal een vreemde man. Ook helemaal niet sympathiek vond ik. Achja. Foto’s zoeken, foto’s vergelijken, tekstjes zoeken, tekstjes vergelijken, … Een keertje heel hard beginnen wenen, een keertje getroost worden, een keertje lachen, je een keertje schamen voor je lach, … Het is allemaal zo’n mengelmoes van gevoelens en gedachten. Je kan jezelf niet volgen, het gaat allemaal zo snel. En dat terwijl je al maanden wist dat dit eraan zat te komen.

Normaal gingen ik en mijn mama zaterdag naar de bib gaan, elk jaar is het een speciale ‘dag van de bib’ waarop je gratis CD’s en DVD’s mag ontlenen. Ik had de vrijdag allemaal leuke CD’s enzo opgezocht die ik wou ontlenen. Ik had alles netjes opgeschreven. Spijtig genoeg bracht de dood van mijn papa alle plannen in de war. We zijn niet meer in de bib geraakt. Mijn tante (de zus van mijn mama) werkt in die bib en zij moest wel nog even langsgaan. Zij had voor mij dan toch nog enkele CD’s geleend. En hetgene dat mij vooral is bijgebleven zijn de bladwijzers. Eentje met mijn naam, eentje met die van mijn broers, eentje met die van mijn mama én eentje met die van mijn papa. Ze had die speciaal nog laten maken. Alsof ik een bladwijzer ga gebruiken met ‘Koen’ erop? Maar het was wel lief bedoeld, dat wel.

’s Avonds kwam er een super lieve vriendin langs. Ik kende haar nog maar minder dan een maand. Maar toen ik haar het slechte nieuws sms’te, belde ze mij meteen om te vragen of ze langs moest komen. Er hadden ook al 3 andere vriendinnen hetzelfde voorgesteld. Op één of andere manier had ik daar geen behoefte aan. Of geen zin in. Maar het bezoek van mijn ‘nieuwe’ vriendin, dat zag ik wel zitten, ik liet haar langskomen. Hoe lang we hebben gepraat, dat weet ik niet meer. Ik weet wel dat ik niet zo heel veel heb gezegd. Ik was vooral aan het wenen en ik werd getroost en geknuffeld. Haar bezoek heeft mij echt enorm veel deugd gedaan. Gewoon ook eventjes wat andere verhalen horen, over haar nieuwe vlam bijvoorbeeld, deden mij deugd. Ik weet nog dat ze een paar dagen later verschoot dat ik haar verhaal nog wist. Ze dacht dat ik dat al vergeten was. Misschien was ik ook meer dan de helft vergeten maar dat stukje wist ik nog. Vanaf dat bezoek wist ik het zeker: ik sta er niet alleen voor. Ik kon mij echter nog helemaal niet voorstellen hoe de volgende maanden, jaren, … gingen verlopen. Volgens mij was dat het gene wat ik mij constant afvroeg: wat gaat er allemaal op mij afkomen? Hoe ga ik erop reageren? Hoe gaan andere mensen erop reageren? Wat als ik het nooit kan verwerken? Wat als ik gek word van verdriet? Enzoverder enzoverder.

 

De dag erna, zondag dus, was alles ongeveer hetzelfde denk ik. Misschien zijn we die dag een kist gaan uitkiezen, ofwel was dat maandag, dat weet ik niet meer.

Zoals altijd, vond ik het belangrijk dat ik mijn schoolwerk niet liet liggen. Ik had nog een taak te maken, dus daar begon ik aan te werken. Normaal moest ik daar een kind van de lagere school voor interviewen. Dat heb ik maar achterwege gelaten, ik heb mijn (ik denk toen 14-jarige) nicht geïnterviewd. Niet de nicht die mee naar Ice Age had gekeken. Eén van mijn vele andere nichten.

Wat we voor de rest hebben gedaan, dat weet ik niet meer. Echt niet.

 

Tijd voor maandag. Maandag, een schooldag, dus ging ik naar school. Ik schraapte al mijn moed bij elkaar en was eigenlijk blij dat ik thuis weg kon. Even weg van al het verdriet.

Die ene lieve vriendin, die al op bezoek was geweest, nam altijd samen de trein met mij. Ze kon mij dus meteen opvangen. Volgens mij heeft ze die dag bijna geen seconde van mijn zijde geweken, voor zover ik mij kan herinneren. Want veel weet ik er eigenlijk ook niet meer van.

De blikken, die starende blikken, die herinner ik mij wel nog perfect. Ik zag en voelde hoe ze naar mij keken. Allemaal. Ook de leerkrachten. Dát is dat meisje dat haar vader is verloren. Ocharme het kind. Ik kon er niet echt tegen. Niemand die iets zei, enkel die blikken. Of misschien waren er wel enkele die er iets van zeiden maar het zullen er toch niet veel geweest zijn.

Tijdens de pauze ging ik naar het toilet, daar kwam ik 2 andere goeie vriendinnen tegen. Ze wisten zich geen houding te geven. Eentje vroeg: “Gaat het een beetje?” Volgens mij heb ik toen het volgende geantwoord: “Nee, maar het zal toch wel moeten gaan hé.” Daarna heb ik mij even opgesloten op het toilet. Daar zat ik veilig. Veilig genoeg om de tranen te laten lopen. Ik had geen zin om terug naar de klas te gaan. Maar ik moest, ik verplichte mijzelf, ik kon niet daar blijven. Dus ik stond recht en ging de klas opnieuw binnen. Met rode ogen en wangen ging ik braaf op mijn stoel zitten. Opnieuw diezelfde blikken. En een troostend gebaar van mijn lieve vriendin. Wat was ik blij dat zij er was.

’s Middags moest ik naar huis. We moesten opnieuw naar de begrafenisondernemer. Ik denk om de urne enzo uit te kiezen. Ik nam afscheid van mijn vriendin. Zij ging samen met de rest van de ‘klik’ gezellig iets eten. En ik bleef achter. Ik had nog even afgesproken met een andere vriendin, Lissa, ik ken haar al sinds de kleuterklas. Samen zaten we op de trap, naast de cafetaria van onze school. Veel zeiden we niet. Er waren dan ook geen woorden om duidelijk te maken hoe erg we het allebei vonden. Dus even later vertrok ik dan maar.

Weg van school, terug op weg naar het verdrietige thuisfront. Om daar dan een urne uit te kiezen. En dat was ook het moment waarop we ontdekten dat er een hele sector bestaat i.v.m. urnen en andere dingen om assen in op te bergen. Kettingen, ringen, armbandjes, fotokaders, … Urnen in alle kleuren van de regenboog en in alle mogelijke formaten: van een mini ‘knuffelurne’ tot een grote urne voor je dode kat (inclusief met een kattenpootjes design).Door die grote keuzemogelijkheid konden we niet meteen beslissen. We mochten zijn folders mee naar huis nemen om nog eens goed na te denken.

Het is echt zoals ze zeggen: er komt veel meer bij kijken dan je denkt!

 

De rest van ‘die ene week’ is voor een andere keer. Het is zwaar en vermoeiend om alle herinneringen naar boven te laten drijven.

Bijna is alweer voorbij

Standaard

Wat een paar dagen geleden nog ‘bijna’ was, is nu alweer verleden tijd. Mijn papa is nu welgeteld twee jaar en 1 dag dood. Het is en blijft een eng en vies woord: dood. Maar ‘overleden’ vind ik dan weer te chique klinken. Daarom schrijf ik liever ‘dood’. Want dat is hij uiteindelijk ook, morsdood. Steendood. Doder dan dood.

En ik heb misschien 26 tranen gelaten, veel meer zal het niet geweest zijn. 26 tranen, vermengd met het water uit de douche. Want ja, na lange tijd is het mij nog eens gelukt om te wenen. En dan nog wel in de douche. En ja, ik heb mijzelf weer maar eens verplicht om te stoppen met bleiten. Want het haalt toch niets uit. En mijn mama moest niet zien dat ik geweend had.

Ze had het al moeilijk genoeg, ik zag ’s morgens dat ze wat geweend had. Maar natuurlijk heb ik er niets van gezegd. Want zo zit ik nu eenmaal in elkaar. Zwijgen is uiteindelijk ook goud, zoals het gezegde zegt.

Er hebben niet veel mensen aan ons gedacht. Of ik kan beter zeggen: er hebben niet veel mensen aan mijn papa gedacht. Mijn peter (de broer van mijn papa) zette een kaarsje als profielfoto op zijn facebook en hij stuurde een smsje naar mijn mama. Dat was het.

De andere broer van mijn papa, mijn nonkel dus, stuurde bloemen op. Met een lief kaartje eraan: twee jaar geleden al, het is net of het gisteren was. we denken aan jullie. Dat vond ik wel heel erg lief. Hij (en zijn vrouw/vriendin eigenlijk) stuurden vorig jaar ook bloemen op mijn papa zijn sterfdag. Ik vraag me af of het binnen een jaar of 7 een verplicht nummertje wordt, die bloemen sturen.

Mijn oma, die van mijn mama haar kant, heeft gebeld met mijn mama en heeft blijkbaar over van alles en nog wat gebabbeld, maar heeft geen woord gezegd over mijn papa. Waarschijnlijk was ze het helemaal vergeten. Haar geheugen gaat de laatste tijd wat achteruit.

En mijn vriendinnen wisten dat het ‘die ene speciale dag’ was, maar hebben ook niet echt iets speciaals gezegd of gedaan. Maar dat neem ik hen helemaal niet kwalijk. In hun plaats zou ik ook niet weten wat te doen.

 

Dus om mijn verhaal samen te vatten: het was een eenzame, lange, saaie, moeilijke dag. Vol verdriet in mijn hoofd, hart en buik. Maar uiteindelijk is het ook maar een dag zoals een ander. Of dat probeer ik mijzelf toch wijs te maken. Geloven doe ik het voorlopig nog niet echt.

 

Ik wil wel proberen om mijn gevoel van de afgelopen (en waarschijnlijk de komende dagen ook) te beschrijven maar het lukt mij niet echt goed. Ik voel mij vooral eenzaam, verdrietig, zenuwachtig, onzeker, bang, wanhopig en soms hopend. Soms ook intens ongelukkig. Of zelfs nutteloos en zinloos. Dan bedenk ik mij waarom het nog zin heeft dat ik mijn best doe om iets te worden of te betekenen in deze grote, boze, harde wereld.

Eenzaam is misschien wel, nu ik er verder over nadenk, het meest overheersende gevoel. Er zijn veel mensen die mij willen steunen en die zeggen dat ik op hen kan rekenen. Maar uiteindelijk sta ik er altijd alleen voor. Het is mijn verdriet. Ik kan het delen zo graag en zo veel als ik wil. Het blijft bij mij en van mij. Het kan misschien heel erg traagjes minderen, maar het grootste gewicht blijft in mij zitten en rond mij hangen.

Doordat ik zelden (of eerder nooit) nog praat over mijn verdriet, verleer ik steeds meer en meer hoe ik erover moet praten. Ik kan het gewoon echt niet meer. Ik wil er wel over praten, maar ik kan het niet. Iemand moet de woorden uit mij sleuren, anders lukt het niet. En er is bijna niemand die dat begrijpt. Ze willen het wel begrijpen, ze proberen misschien zelfs hard, maar het lukt niet.

En dan zijn er nog de vele andere mensen die denken dat je na 2 jaar er wel over bent. Ik hoef jullie waarschijnlijk niet uit te leggen dat dat niet zo is.

Ik zit vast in mijn verdriet. Ik functioneer normaal, je ziet mijn verdriet niet. Maar het is er wel. Diep vanbinnen, goed verstopt, onder mijn glimlach en achter mijn domme mopjes. En soms zou ik willen schreeuwen, schreeuwen van verdriet, van pijn, van wanhoop, van ellende. En schreeuwen tot mijn papa mij kan horen en begrijpt dat hij terug moet komen.

 

mooi......

There was an explosion I can’t explain

Standaard

De tijd vliegt. Soms is het echt waar. Vooral als ik nadenk over hoe lang ik mijn papa al mis. Bijna een jaar en 5 maand. Een jaar en 5 maand lijkt een eeuwigheid als ik aan alle tranen terugdenk. Maar een jaar en 5 maand lijkt heel erg kort als ik ‘globaal’ terugkijk.

Soms denk ik dat ik al die tijd gelukkig was. Gelukkig op mijn nieuwe school, gelukkig met mijn nieuwe vriendinnen, gelukkig dat ik altijd wel iets te doen heb voor school.

Soms denk ik dat ik al die tijd ongelukkig was. Ongelukkig door al die hopen verdriet. Ongelukkig door het verschrikkelijke gemis dat oneindig lijkt te duren. Ongelukkig door het gevoel dat niemand mij begrijpt. Ongelukkig door het niet onder woorden kunnen brengen van mijn gevoel. Ongelukkig door het niet kunnen praten met mijn mama of de rest van mijn familie.

En als ik die twee lijstjes vergelijk, dan is dat van het ongelukkige gevoel veel langer. En soms weegt dat ook veel zwaarder door. Soms weegt dat zo ongelooflijk zwaar dat ik erbij neer moet gaan zitten. Dan kan ik het ongelukkige gevoel niet langer dragen of verdragen.

Maar soms, en van die momenten houd ik, voelt het alsof dat ongelukkige gevoel weg is. En dan blijft enkel het gelukkige gevoel over. En dat voelt beter en lichter. Dan zie ik nog een toekomst voor mij. Op de ongelukkige momenten zie ik alleen verdriet voor mij.

Ik moet verder streven naar die gelukkige momenten. En niet zoals nu, zitten wenen en treuren. Gelukkig zijn, dat moet ik wat ik wil.

En mijn papa niet langer verschrikkelijk hard missen. Maar gewoon missen. Missen zonder die vreselijke pijn. Zonder de tranen in mijn hoofd. Zonder de pijnlijke beelden van tijdens zijn ziekte. Gewoon, mijn lieve papa een beetje missen. Dat kan ik aan. Meer niet.

tumblr_m6iz9pa1Kh1qgg6zbo1_500

Every now and then I see you cry

Standaard

Het verdriet heeft mij weer eens overvallen. Of overspoeld is misschien een beter woord. Of ondergedompeld. Of doen happen naar adem.

Er zijn zoveel woorden om het te beschrijven. Maar pas als je het echt hebt gevoeld, dan weet je wat ik bedoel.

Ik was op weg naar school, met mijn i-pod op (sinds het nieuwe schooljaar zit ik altijd alleen op de trein dus is mijn i-pod mijn nieuwe BFF). Ik heb veel – vooral eigenlijk – triestige liedjes erop staan. Toen ik deze ochtend die liedjes hoorde werd ik dus overspoeld door het verdriet. Met tranen in mijn ogen zat ik op de trein. Met tranen in mijn ogen stapte ik de school binnen. Met tranen in mijn ogen stapte ik richting toilet. Daar sloot ik mij op. En de tranen liet ik vrij. Ze moesten eruit. Ik voelde het. Ik kon ze niet langer bedwingen. Ik moest mij inhouden om daar niet te blijven zitten en te blijven wenen. Maar zo ben ik niet. Ik zet door, ik probeer. Met rode ogen ging ik richting klas. (wat mij trouwens doet denken aan de titel van mijn blog gisteren, wat zoals altijd een zinnetje is uit een liedje)

Ik heb mij door de dag gesleept. Vooral de eerste lesuren had ik het nog heel moeilijk. Ik haat het om in de les te zitten terwijl het enige waar ik zin in heb wenen is. Dan wil ik naar buiten rennen en in een hoekje gaan zitten snikken. En dat gaat niet. Ik zou het ook nooit durven.

In de namiddag heb ik mij wel geamuseerd. Maar zodra ik niets meer om handen had, behalve naar de leerkracht haar uitleg luisteren, werd ik alweer triestig en gingen mijn gedachten automatisch naar mijn papa.

 

Ik heb het zo moeilijk met het naderen van 15 oktober. Dan is het 1 jaar. 1 jaar! Ik kan het niet geloven.

Deze week heb ik al elke nacht wakker gelegen en gedacht aan vorig jaar. Aan de begrafenis, aan de laatste weken, de laatste maanden, aan de dagen na zijn dood, aan de dagen na de begrafenis, aan zo veel. Ook zijn er veel dingen die ik mij nu plots weer herinner aan die periode. Geen leuke dingen. Allemaal triestige dingen. Overal zijn er triestige dingen. Ik ben ook zo bang voor de komende dagen, weken. Ik ga het nog zo lastig krijgen. Ik ga nog vele avonden en nachten wenen. En ik kijk er alles behalve naar uit. Maar het kan niet anders.

Kop op en been voor been vooruit.

 

 

 

I fall on my knees. Tell me how’s the way to be.

Standaard

Wauw. Ik zag net dat ik gisteren mijn honderdste post heb geplaats. En dan heb ik die nog niet eens zelf getypt. Ik heb hem laten typen omdat ik zo moe was. Moe en vooral pijn. Ik heb een belachelijk klein wondje aan mijn enkel en dat is ontstoken en opgezwollen en zéér pijnlijk. En dan moest ik gisteren juist ver stappen. De weg naar huis leek een eeuwigheid. Gelukkig was die lieve vriendin van mij er om mij te ondersteunen en om duizend keer te zeggen: “Pas op, rustig, we hebben tijd. Doe maar kalm.” Ons gezellig avondje was er aan door mijn gezaag en geklaag en gejammer over mijn voet. Ondanks de pijn hebben we soms toch goed kunnen lachen. Toen ik de trap op kroop bijvoorbeeld. Ik had super veel pijn en zij stond daar maar te lachen en als ik niet zoveel pijn had gehad, dan had ik ook de slappe lach gehad. Gelukkig was mijn voet deze ochtend beter. Maar helaas pindakaas, nu doet hij weer meer pijn.

Oké, ik ga stoppen met zagen. Toch over mijn voet.

 

100 berichten. 100 berichten waarin ik over mijn diepste gevoelens heb geschreven. Over dingen waar ik met niemand over durf te praten. Over belachelijke dingen. Over triestige dingen. Over moeilijke dingen. Over grappige dingen. Over twijfelachtige dingen. Over mijn gevoel.

En ik moet nog mijn verontschuldigingen aanbieden. Sorry dat ik eergisteren niet had geschreven wat mij gelukkig had gemaakt. Geen verontschuldigingen tegenover jullie. Maar tegenover mijzelf. Ik heb mijzelf teleurgesteld. Ik kan nog niet eens 35 dagen iets volhouden. Ik geef zo vaak dingen op. Dit wou ik zo graag volhouden. En het is al om zeep. Ik heb veel zin om ermee te stoppen. Maar dan geef ik wéér eens op. Dus ik moet volhouden. Dan is het maar eens 1 dagje dat ik het vergeten ben. Ik heb het de dag erna wel opgeschreven. Dat telt misschien ook een klein beetje. Maar volgens mijn gevoel niet echt. Ik voel mij als een opgever. En ja, jullie zullen wel denken dat dat overdreven is. Maar ik ben nu eenmaal een perfectionist en als er iets niet gaat zoals ik dat wil, dan word ik lastig, dan vind ik mijzelf een mislukkeling.

Oké, ik ga stoppen met zagen. Toch over mijn blog.

 

 

Daarstraks lag ik in de zetel en ik was tegen mijn papa aan het praten. Ik zal mijn geweldige monoloog eens opschrijven voor jullie.

 

“Dag papa.”

– stilte –

“Papa, waar zijt ge? Ik weet niet waar ge zijt. Hier bij mij of ergens in een ander leven of in de lucht of de hemel. Ik weet het niet. Zijt ge hier bij mij? Komt ge pas als ik mijn ogen sluit? Staat ge dan voor mij?”

– ogen toe –

“Papa? Als ik mijn ogen opendoe zijt ge weer weg. Misschien zijt ge er zelfs nooit geweest. Maar ik mis u. Ik mis u zo zo zo hard…”

– betraande ogen open –

 

Er zijn zo van die momenten dat ik zo’n dingen hoop. Hoewel ik weet dat het niet kan. Hij is gewoon dood. Een hoopje assen dat overal verspreidt is. Niet meer als dat. Zijn hele persoon, zijn zijn, is weg. Verdwenen. Dood. Soms verbaas ik mij daar zo over. Hoe is het toch mogelijk dat iemand kan doodgaan? Dat heel zijn persoonlijkheid, gedachten, gevoelens, gebaren, gezicht, alles, weg is. Dat er niets meer overblijft behalve de herinnering eraan. Niets tastbaar. Alleen een beetje gedachten aan hoe het allemaal was. Ik kan foto’s bekijken, of voorwerpen aanraken, of plaatsen bezoeken, maar hij is er nooit echt. Hij zal er ook nooit meer echt zijn. Dood. Voor altijd. Het lijkt zo onmogelijk, zo onrealistisch en toch is het de waarheid. De harde waarheid van deze harde wereld.

Zoals de titel van mijn blog zegt, we moeten samen verder, samen tegen de harde wereld. Die samen is iedereen. Mijn familie, mijn vrienden, maar vooral mijn papa. Ik moet samen met de gedachte aan hem verder leven. Verder leven in de harde wereld met het gedacht, met de waarheid, dat mijn liefste papa dood is. Samen tegen de harde wereld. Het zijn geen woorden die ik zelf heb uitgevonden. Het zijn woorden die de liefste vriendin ooit heeft geschreven naar mij. Die woorden raakten mij zo. In die woorden ligt zoveel waarheid. Die woorden vatten mijn verdere leven samen. Want ik moet verder. Ik moet samen met iedereen tegen de harde wereld opboksen. Want mij krijgen ze niet klein. De wereld is hard. Maar ik ook.

En mijn papa zeker.

 

37 – Toen ik een prachtig liedje luisterde. Muziek kan zo mooi en ontroerend zijn!

Burst wide open

Standaard

De tranen druppelen weer langs alle kanten. Ik kan ze niet meer tegenhouden. Wat ik nu voel heb ik nog niet zo veel gevoeld. En zeker de laatste tijd niet meer. Het alsof iemand met een hamer op mijn blijft slagen, ik wil roepen van de pijn maar ik kan alleen wenen. Mijn buik verdrinkt in de tranen en mijn hoofd barst van de tranen. Bij alles wat ik nu doe komen er weer nieuwe tranen. Het is alsof ik weer net weet dat mijn papa dood is.

Ik voelde net weer de drang om de foto’s te bekijken van mijn dode papa. Hoe hij daar ligt in dat bed, dat is mijn papa niet. Ik kan het niet anders zeggen. Dat is hem gewoon niet. Soms voelt het alsof hij nog leeft. Maar daarnet voelde ik duidelijk dat hij er niet meer is.

 

Ik heb eventjes ‘pauze’ genomen. Ik moest kalmeren. Ik was mijzelf niet meer. Het verdriet nam bezit over mijn lichaam.  Ik weende en weende en riep en stampte en ik knuffelde mijzelf, ik ging op de grond zitten, ik ging in de zetel liggen, ik weende en weende en ik snikte en snotterde en weende en weende. Het deed echt pijn. Zoveel verdriet doet pijn. Niet zo’n pijn als wanneer je in je vinger snijdt ofzo. Gemis-pijn. Die pijn valt niet te vergelijken met gewone pijn.

Het voelt alsof de wereld niet meer bestaat en alleen jij en je immens grote verdriet nog bestaan. Alsof je jaren lang geweend hebt en het enige wat je ooit nog zal kunnen doen, wenen is. Alsof je niet meer kan stappen omdat het verdriet je samendrukt en je benen pudding zijn. Het voelt alsof het verdriet eeuwen stond te wachten en het er plots allemaal tegelijk uit wil, zoals een massa mensen die zich naar binnen wurmt omdat ze stonden te wachten voor één of andere nieuwe coole winkel die gaat openen. Het is alsof je nooit geluk hebt gekend. Alsof je alleen ongelukkig kan zijn. Alsof je niets meer weet, behalve dat je die ene persoon mist. Alsof je lijf binnenstebuiten zit en al het verdriet er zo uit kan. Het is alsof je verstand zegt ‘ga weg verdriet’ maar dat het niet weet welk verdriet er weg gaat en of het ooit nog terug komt. Alsof het verdriet weg gaat maar onmiddellijk terug komt zoals een boemerang. Het is alsof het gemis je kapot gaat scheuren. Alsof je blijft steken in die grote snikken. Alsof je niet meer kan ademen omdat het verdriet al je woorden afneemt. Het is alsof je verdrinkt in je verdriet omdat je nooit hebt geleerd hoe je moet zwemmen. Alsof je in een heel dramatische film speelt en je de persoon bent die theatraal aan het wenen is. Het is alsof de zon is ontploft en de lucht zwart is. Alsof je nooit hebt bestaan en je nooit zal bestaan. Alsof het allemaal fantasie is terwijl je weet dat het echt is. Het is alsof jij de pijn bent.

 

Ik kan blijven doorgaan maar nooit zal er een zin zijn die precies kan uitleggen hoe ik mij voelde. Er zal altijd iets ontbreken. Ik zou even goed kunnen zeggen dat ik mij heel slecht voelde. Want dat is eigenlijk hetzelfde voor jullie. Jullie kunnen wel lezen hoe ik mij voelde, maar zolang je niet mijzelf bent, weet je niet hoe ik mij echt voelde. Ik ben ik en niemand anders. Mijn verdriet is mijn verdriet. Mijn woorden zijn mijn woorden. Jullie lezen en jullie denken. Jullie denken dat je weet hoe ik mij voel. Maar elk gevoel is anders. Elk verdriet is anders. Elke keer als ik ween voelt het anders. Deze keer voelde het anders. Intenser, dramatischer, gevoeliger en oneindiger.

 

Hoe ik gestopt ben met wenen weet ik al niet meer. Het was echt alsof ik iemand anders was. En ik denk dat ik plots naar mijzelf terugkeerde en dacht: rustig Sarah, het komt goed. Nu voel ik mij natuurlijk ook weer raar. Er is al 2 uur voorbij gegaan merk ik net. 2 uur en het leek 1 minuut terwijl het ook een eeuw leek te duren. Het lijkt alsof ik een week niet meer heb geslapen, mijn ogen pikken, mijn hoofd barst van de hoofdpijn, mijn keel doet pijn, mijn mond plakt toe, mijn neus zit verstopt van al dat gesnotter, mijn benen trillen nog en soms krijg ik plots kippenvel. Het lijkt alsof ik een hele inspanning heb gedaan, terwijl ik gewoon heel hard heb zitten wenen.

 

Ik had dus toch gelijk gisteren. Het is een moeilijke dag vandaag.

Nobody said it was easy

Standaard

Ik ben moe, ik ben alles zo moe. School. Thuis. De mensen die ik ken. Mijn verdriet. Mijn frustratie. Mijn gevoel. Ik ben het allemaal beu.

Ik ben teleurgesteld. Ik weet niet in wat. Ik weet niet in wie. Waarschijnlijk in mijzelf. Ik dacht dat ik vooruitgang aan het maken was. En toch is er eigenlijk niets of niets veranderd. Ik ben nog steeds dezelfde. Ik ben nog steeds ongelukkig. Ondanks dat ik probeer om gelukkige momenten te onthouden. Maar wat betekenen die enkele gelukkige momentjes? Wat voor verschil maken die? Niets. Mijn papa blijft dood. Ik zie hem nooit meer. Nooit nooit nooit nooit nooit nooit nooit nooit nooit nooit nooit nooit nooit nooit nooit nooit nooit nooit… Bij elke nooit die ik schrijf voel ik de tranen opkomen. Maar ik verplicht ze binnen te blijven. Nee, ik wil niet wenen. Nu niet. Nooit meer. Ik wil lachen, ik wil genieten, ik wil gelukkig zijn. Maar waarom ben ik dan niet gewoon gelukkig, als ik het zo graag wil? Waarom lukt het dan niet? Waarom twijfel ik zoveel? Waarom pieker ik zoveel? Waarom denk ik zoveel ‘had ik dit nog maar tegen papa gezegd’, ‘had ik dat nog maar met papa gedaan’, ‘had ik dit nog maar aan papa gevraagd.’ …

Soms komt er een vlaag van verdriet en gemis over mij heen. Dan besef ik enkele seconden lang dat ik mijn papa nooit meer zal zien. Dat zijn altijd hele rare momenten. Ik kan niet beschrijven hoe ik mij dan voel. Ik ken er geen woorden voor.

Ik weet niet eens meer wat ik nog meer kan schrijven. Ik ben gewoon op. Ik ben leeg. Ik heb geen gevoel meer. Zeker geen gelukkig gevoel. Een triestig gevoel nog wel. Waarom bestaat dat eigenlijk? Ja, ik weet het wel, als er geen ongeluk is, dan kan er ook geen geluk bestaan. Want waarom ben je dan gelukkig, dan weet je niet hoe je je anders zou moeten voelen. Dus dan kan je dat niet echt geluk noemen denk ik.

Ik bestudeer graag mensen, die in mijn klas bijvoorbeeld. Die zien er altijd gelukkig uit. Beertje Paddington, is nummero uno in het ‘gelukkig zijn.’ Aan de buitenkant toch. Ik geloof nooit of nooit dat dat mens niet ongelukkig is. En als ze het nu nog niet is, wordt ze het sowieso nog. Ze is zo … Ik weet niet hoe ik het kan uitleggen. Eigenlijk ken ik haar niet eens zo goed. Maar ik vind dat ze zo inhoudsloos is. Het enige dat ze doet is belachelijk doen en lachen. Met haar dikke kop. Gemeen zijn mag niet, ik weet het. Maar het is sterker als mijzelf. Ik hoorde haar zelfs eens vertellen dat een leerkracht tegen haar had gezegd: ‘Jij ziet er altijd zo vrolijk en gelukkig uit, hoe doe je dat toch?’ En toen was ze zo fier. En toen dacht ik: ZWIJG STOMME GEIT. Dat heb ik natuurlijk niet gezegd.

Gelukkig zijn. Het is me wat.

Ik ga eten. Moderne spaghetti. Misschien kan die mij een beetje opvrolijken want ik heb het hard nodig. Voor als het ondertussen nog niet duidelijk zou zijn: het was een slechte dag. Heel slecht.

 

 

 

There is no one there to dry your tears

Standaard

mama: “Het is 6 maand hé vandaag.”

ik:          “Ja.”

mama: “Raar hé, eigenlijk is dat lang. Maar ook niet lang want het lijkt nog maar pas.”

ik:         “Ja.”

-stilte-

ik:        “Waar is de tandpasta?”

Zo, dat was ons gesprekje deze ochtend. En daar is het bij gebleven. Meer is er niet gezegd. Toch niet over papa. Over andere dingen hebben we wel constant gebabbeld. Maar over die 6 maand, over onze gevoelens of gedachten. Nee. Dat niet. Mijn mama wou er precies wel over praten, zoals elke maand. Maar ik klap vanzelf toe. Het enige dat ik dan kan zeggen is ‘ja’ of ‘nee’ of gewoon niets. Het is sterker als mijzelf. Ik kan er niets aan doen. In mijn bed kan ik er wel over praten. Of wenen. Vooral wenen. Veel wenen.

Zoals gisterenavond/nacht. Ik voelde mij nog niet echt slecht ofzo, ’s avonds. Maar ik wist dat wanneer ik op mijn kamer zou komen, dat de tranen ook zouden komen. En inderdaad. Ik ging de trap op. Deed mijn deur toe. En ‘bam’. Het verdriet was daar. Zo plots, zo overweldigend, zo hard, zo koel, zo eenzaam en alleen. De tranen stroomden over mijn wangen, ik voelde die ijzige pijn in mijn hart, in mijn buik. Die leegte en de volheid van verdriet. 6 maand! Een half jaar! Ik heb mijn papa een half(!) jaar niet meer gezien! Een half jaar! Ik kan het gewoon niet snappen. Dat is zo lang een half jaar. En toch lijkt het nog gisteren dat hij in de zetel zijn krant zat te lezen. Of dat hij daar in dat ziekenhuisbed lag te liggen. Alles lijkt nog maar pas voorbij en toch is het al 6 maand.

Oké, het heeft geen enkele zin dat ik hier honderden keren herhaal dat het 6 maand is. Want dat brengt mijn papa niet terug. Niets brengt hem terug. Niets ter wereld kan ervoor zorgen dat ik hem nog kan zeggen dat ik hem graag zie. Ja, ik weet het, het is niet omdat ik dat nooit heb gezegd dat hij dat niet wist, maar toch. Ik heb het niet gezegd. En ja, daar heb ik spijt van. Zoveel spijt. Maar spijt veranderd ook niets.

Wat kan ik dan wel veranderen? Mijn kijk op de wereld. Mijn ideeën. Mijn gedachten. Wat ik doe en wat ik wil. Alhoewel, hoe kan ik mijn wil veranderen? Dat zal ook wel niet gaan denk ik. Maar wat ik doe, dat kan ik gemakkelijk veranderen. Ik kan kiezen wat ik doe, wanneer ik iets doe, hoe vaak en waarom. Ik kan kiezen of ik hier iets schrijf. Ik kan kiezen of ik ween, ik kan kiezen of ik zit te treuren, ik kan kiezen om gelukkig te willen zijn. Ik wil gelukkig zijn. Ik heb daar al lang voor gekozen. Maar er gewoon voor kiezen is blijkbaar niet genoeg. Dat wist ik wel, maar toch. Ik moet er voor werken. Iedereen moet eraan werken, om gelukkig te worden. Dat gaat niet zomaar.

Ik kan proberen om stap voor stap gelukkig te worden. Vandaag begin ik bij stap 1.

Oké, ik heb beslist om vanaf vandaag elke dag iets op te schrijven waar ik, eventjes of langer, gelukkig van wordt. Iets dat ik die dag heb meegemaakt, heb gedaan, gevoeld, of aan gedacht heb. Als ik dat dan elke dag opschrijf en vaak herlees, dan kan het toch bijna niet anders dan dat ik stapje per stapje gelukkiger wordt?

1- Mijn nieuwe shampoo rook héél goed, een plezier om mijn haar mee te wassen!

Maar omdat het vandaag 6 maand is (nu heb ik het toch weer gezegd, sorry!) permitteer ik het mij om te eindigen met een ongelukkig stukje. Een gedichtje dat ik deze ochtend heb geschreven.

Tranen zitten terug vast

Ze staan ongeduldig te wachten

Ze willen eens een luchtje scheppen

Maar ik laat de deur op slot

Dat is veiliger.

Ik veronderstel dat het wel voldoende was om gisterennacht mijn tranen de vrije loop te laten. Vandaag gaf ik ze een beetje rust. Nog geen traan gelaten. Straks misschien. Wie zal het zeggen?

Voor mijn papa:

Ik zie je graag. Ik zie je zo zo zo zo zo graag. Zo ongelooflijk graag. En zo kwaad dat ik op mijzelf ben, omdat ik je dat nooit heb gezegd. Sorry papa. Weet gewoon dat ik je graag zie. Ik sluit je voor altijd op in mijn hoofd en vooral in mijn hart. Nooit zal ik vergeten wat voor een super papa je was. Jij mijn held, ik jouw kleine meid. Wij twee, voor altijd vader en dochter.

(PS: nu zijn er wel tranen)